Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Openhartig: deze 5 lezeressen raakten uit hun depressie

Door De Redactie

Depressie is een ziekte met veel gezichten. Vijf lezeressen vertellen over hoe ze met veel moeite weer overeind krabbelden toen het donker werd in hun hoofd.

En toen trokken de donderwolken voorbij …

Gerlinde (60) verloor haar dochter kort na de geboorte. Jaren later kreeg ze een depressie

“Charlotte werd geboren zonder hypofyse in de hersenen. Ze heeft maar één zomer geleefd, na zeven weken is ze in mijn armen gestorven. Ik was zo in paniek dat ik niet meer kon ademen. Het was alsof ik in een nachtmerrie zat en niet wist of ik wakker was of droomde. Over een dood kindje werd dertig jaar geleden niet gesproken.

“Het gebrek aan empathie heeft me enorm geraakt. Alsof mijn dochter bij het afval gezet was”

De arts raadde ons aan om zo snel mogelijk weer aan kinderen te beginnen. En dat deden we: na vier maanden was ik opnieuw zwanger. Maar tegen de tijd dat Simon drie was, ging het licht uit. Ik zat elke dag te huilen op het werk. ‘Zijt ge nu weer aan het bleiten?’, zeiden de collega’s. ‘Je hebt toch een kind, wees blij.’ Dat gebrek aan empathie heeft me enorm geraakt. Alsof Charlotte bij het afval gezet was en het daarmee opgelost was.”

Oh zo donker

“ ‘Ik wil dit leven niet meer’, zei ik op een dag tegen mijn man. Zo donker was het. Alles was me te veel, te zwaar. De huisarts sprak van een depressie wegens uitgestelde rouw, maar voor velen in mijn omgeving was het aanstellerij. Ik moest voortdurend naar de arbeidsgeneesheer om te bewijzen dat ik depressief was. Een geluk bij een ongeluk: ik had zware diabetes type 1, wat als ‘ernstig’ werd beschouwd.

“Mijn psycholoog gaf me het gevoel dat ik récht had op mijn verdriet, en ze hielp me om het een plek te geven”

Mijn man toonde begrip. Hij had een goed draaiende zaak, ik bleef thuis zolang het nodig was. Uiteindelijk heb ik twee jaar thuis gezeten. Dat zijn acht seizoenen die je ziet veranderen zonder dat je er plezier aan beleeft. Heel heftig was dat. Als ik opstond, had ik geen zin om aan de dag te beginnen. Ik at omdat het moest, maar ik vermagerde zienderogen. De zon die scheen, dat kon me niks schelen. Het mocht godganse dagen regenen.

In het begin kreeg ik slaapmedicatie. Die hielp me om wat rust te vinden in de wirwar van mijn hoofd. Maar de belangrijkste stap was om naar de psycholoog te gaan. Zij gaf me het gevoel dat ik récht had op mijn verdriet, en hielp me om het een plek te geven.

In die periode nam ik weer de draad op van mijn passies: zingen en schrijven. Ik ging zingen in koren en ensembles, maar ook als solozangeres. Zo kwam ik buiten. Door thuis tussen mijn vier muren te dichten, schreef ik mijn verdriet letterlijk van me af. Eerst als troost voor mezelf en later, nadat ik ze gebundeld had, als troost voor anderen. Ook dat deed me deugd.”

Mijn beste vriend

Een kind missen, verandert je geluksgevoel voor altijd. Het maakt niet uit of je kind nooit geboren is, twee weken, twee jaar of tweeëntwintig jaar geleefd heeft. ‘Alles wat nooit zal worden, doet evenveel pijn als alles wat nooit geweest is’, schrijf ik in één van mijn gedichten. De uitzinnige vreugde die ik vroeger kon voelen, is me nadien nooit meer overvallen. Ook niet toen mijn zoon geboren werd. Ergens is er altijd dat verdriet, altijd dat gemis.

“Een depressie weegt heel zwaar op een huwelijk”

En als je één keer een depressie hebt gehad, ben je vatbaarder. In het jaar dat ik een hartoperatie kreeg, stierf mijn vader en kreeg ik het weer moeilijk. De artsen hadden me ervoor gewaarschuwd: als er iets traumatisch gebeurt, als je geen houvast meer voelt, kun je zo weer wegzakken. Nog altijd zijn er dagen dat ik denk: wat loop ik hier eigenlijk in godsnaam te doen?

Een depressie weegt heel zwaar op een huwelijk. Mijn man heeft natuurlijk ook zijn verdriet gekend in al die jaren, al praatte hij er niet over. Er zijn periodes geweest dat hij op mij leunde, zoals na de dood van zijn ouders, en andere momenten dat ik op hem leunde. Dat is denk ik de kracht van een goeie relatie: dat je er kunt zijn voor de ander als die je nodig heeft. Ik heb het geluk gehad dat mijn man mijn beste vriend was voor we verliefd werden, en dat altijd is gebleven.”

Uit de put

Het belangrijkste wat ik over een depressie geleerd heb, is dat je niet wordt genezen, je moet het zelf doen. Weten dat je er een hebt, is een eerste stap. Je mag jezelf niet wijsmaken dat het morgen wel beter zal gaan. Professionele hulp zoeken en steun vragen aan vrienden en familie is een tweede stap.

Maar het allerbelangrijkste om eruit te geraken: zoek je passie. In de tuin werken, haken, tekenen, met je (klein)kind gaan wandelen, naar de opera gaan… stort je erin met volle teugen. Je kunt blijven praten en medicatie nemen, maar als je niet uit de put krabbelt, gebeurt er niks. Al heb ik begrip voor mensen die ervoor kiezen om uit het leven stappen. De mentale pijn kan echt te groot zijn, dat besef ik maar al te goed.”

Gerlinde schreef de dichtbundel ‘Kind van één zomer’ (Uitgeverij Partizaan). Alle info vind je op haar website.

Liesbeth (54) liet zich opnemen in de psychiatrie

“Die eerste dagen in de psychiatrie dacht ik: wat heb ik mezelf in godsnaam aangedaan door naar hier te komen? Hoe kan een mens zo diep vallen? Ik heb er veel tranen gelaten. Op een bepaald moment heb ik dan de klik gemaakt: ik zit hier nu, ik heb mijn rugzak bij me. Ik ga hem uitladen en hier achterlaten.”

Hoge verwachtingen

“Ik heb mijn leven lang geworsteld met een gebrek aan zelfvertrouwen. Ik was superperfectionisch en bang om fouten te maken, ik wist niet hoe ik mijn grenzen kon aangeven. De druppel, die kwam er door mijn werk. Ik stond in de zorg en deed mijn job graag, maar ik had het gevoel dat ik altijd overal tegenaan liep en mensen teleurstelde. Op een ochtend stond ik voor de koelkast en wist ik niet meer wat ik moest doen. Een simpele handeling als de tafel dekken om ontbijt te maken lukte me niet meer.

“Ik zat zo vast in mijn gepieker dat ik mijn man en kinderen bij me heb geroepen: ‘Ik moet even aan mezelf gaan werken’ “

Ik ben doorverwezen naar een burn-outcoach, die de vinger op de wonde legde: de lat lag zo hoog, ik reeg de teleurstellingen aan elkaar. Ik heb in de spiegel gekeken en mezelf afgevraagd: welke verwachtingen heb ik van het leven gesteld? En dan… (zwijgt) Dan ga je de dieperik in, hé.

Op een bepaald moment zat ik zo vast in mijn gepieker dat ik mijn man en kinderen bij me heb geroepen: ‘Sorry, ik weet dat ik niet goed geweest ben de voorbije jaren. Maar ik moet even aan mezelf gaan werken.’ Ik had afleiding nodig, ik moest wég uit mijn eigen hoofd. Mijn broer heeft me naar de spoeddienst gebracht en daar ben ik doorverwezen naar de psychiatrie.”

Als een lappenpop

“Mensen denken weleens dat zo’n psychiatrische instelling een hotel is, maar er wordt niks op een gouden schoteltje aangeboden. De pillen die ik kreeg, heb ik al na een paar dagen geweigerd. Ik voelde me een lappenpop. Ik mocht zelf mijn programma samenstellen – sporten, knutselen, gezelschapsspelletjes spelen – en kreeg groepstherapie. Het belangrijkste wat ik er leerde, was om weer zelfstandig te zijn. Dat zat in kleine dingen, zoals de taken in de keuken onderling verdelen en compromissen sluiten met mijn kamergenoot over de chauffage die te hoog stond.

Als je twee kinderen hebt grootgebracht, klinkt dat misschien raar, maar ik kon dat dus niet meer, hé. Er zat een oudere man in onze groep die veel filosofeerde. Met hem ging ik vaak wandelen en nadien noteerde ik onze gedachten. Ik heb echt moeten leren aanvaarden dat ik sommige dingen niet kan veranderen. Ik ben lang kwaad geweest op alles en iedereen, tot ik besefte dat ik zélf verantwoordelijk was voor mijn denken, voor de richting die ik aan mijn leven wilde geven.

Elke ochtend trok ik een dagkaart met een kleine opdracht. Dat ging van mediteren tot nadenken over hoe je het leven wilt bekijken en wat je met je energie wilt doen. Zo ben ik dag na dag uit het dal gekropen.”

Een storm over ons huis

“Na vier weken voelde ik me klaar om naar huis te gaan. Maar zodra ik uit de psychiatrie kwam, begon het echte werk. Ik zat niet meer in die veilige cocon en ik moest leren om mijn dagen zelf structuur te geven. Wandelen met de buurvrouw, een beetje huishouden, naar de osteopaat… Als je zo diep gezeten hebt, is je batterij leeg en moet je je lichaam tijd geven om bij te tanken.

“Ik heb mij bij de kinderen verontschuldigd, en ook met mijn man heb ik heel veel gepraat”

Stilaan ben ik er. Volgende week ga ik solliciteren als logistieke hulp voor mensen met een mentale beperking, al wil ik wel voorzichtig beginnen met vijftien uurtjes per week. De weerslag van een depressie op je gezin is enorm. Er is een hele grote storm over ons huis gewaaid. Ik heb mij bij de kinderen verontschuldigd, en ook met mijn man heb ik heel veel gepraat.

Jarenlang heb ik gedreigd om weg te gaan. In de kliniek besefte ik dat we uit elkaar waren gegroeid, maar dat de waakvlam nog steeds brandde. Dat vuurtje moest weer aangewakkerd worden. Ik heb veel boeken gelezen over hoe ik die verbinding kon herstellen, en met vallen en opstaan is ons dat gelukt. Vandaag kan ik zeggen dat ik zijn vrouw ben, en dat ik niet meer de moederrol vervul die ik jarenlang in onze relatie heb opgenomen.

Mijn gouden raad voor mensen met een depressie? De eerste stap is in de spiegel kijken. Hoe wil jíj denken? Hoe wil jíj leven? Laat mensen niet denken in jouw plaats, dan raak je jezelf kwijt. Geluk vind je bij jezelf. Omring je ook met mensen die jou een spiegel durven voor te houden. In het begin aanvaardde ik dat niet, maar achteraf kan ik zeggen: je hebt geen betutteling nodig, daar schiet je niets mee op.”

Dina (35) verzeilde in een depressie door posttraumatische stress

“Ik heb nooit een naam kunnen plakken op wat me overkomen is. Het is begonnen als een gevoel van angst. Angst voor de langdradigheid van het leven, voor lange avonden en eindeloze nachten zonder slaap.

De eerste nacht dat ik geen oog dichtdeed, was twee jaar geleden. Ik had kort voordien een auto-ongeval gehad waar ik fysiek ongeschonden was uitgekomen, maar wel diep van onder de indruk was. Ik ging ermee naar de huisarts, die sprak van posttraumatische stress en zei dat het tijd zou vragen om alles te laten bezinken. ‘Ik heb geen tijd’, zei ik hem. ‘Ik heb een eigen zaak en een gezin om draaiende te houden. Geef maar iets.’ Ik kreeg slaappillen waar ik heel zuinig mee moest omspringen om er niet verslaafd aan te geraken.

“Telkens als ik dacht: nu is de bodem bereikt, bleek er nog een bodem onder te zitten”

Het was het begin van een maandenlange worsteling met de nachten met en zonder pillen. Het gebeurde meermaals dat ik de kinderen om acht uur te slapen legde en uitgeput mee naar bed ging, maar dan geen oog dichtdeed en om zes uur weer opstond om aan de werkdag te beginnen. Mensen denken weleens dat je niet vooruit wilt als je depressief bent, maar dat is niet zo. Ik vermagerde zienderogen, maar ik blééf maar gaan, tussen de vergaderingen door holde ik van de ene therapeut naar de andere.

Ik heb traumatherapie gevolgd en alle ellende uit me laten trommelen bij volle maan. Maar ik kreeg mezelf niet ‘uit’ gezet. Ik bleef wakker en gleed weg, alsof ik in een neerwaartse draaikolk zat. Telkens als ik dacht: nu is de bodem bereikt, bleek er nog een bodem onder te zitten. Op een avond stond ik bij de dokter voor het zoveelste voorschrift voor een slaapmiddel. ‘Een depressie, hoe voelt dat?’, vroeg ik hem met de deurklink al in mijn hand. Hij antwoordde: ‘Dan ervaar je geen vreugde meer.’ ‘Oké, dan denk ik dat ik dát heb’, zei ik. Ik ben buiten gestapt met een voorschrift voor een antidepressivum, een doorverwijzing naar een systeemtherapeut en vijf weken ziekteverlof. ‘Deze diagnose is niet de fatale knak, wel het begin van je herstel’, zei hij. En zo was het.

Ik voelde me opgelucht dat ik eindelijk kon toegeven: het gaat niet. Na drie nachten ben ik beginnen te slapen. De angst die normaal gezien kort na de middag al opstak en mijn lijf overnam, bleef ergens halfweg zitten en zakte naar beneden. Ik kwam tot rust, mijn systeem ging uit. Wekenlang heb ik alleen maar gewandeld, gepraat met de therapeut, mijn man en vriendinnen, gegeten en geslapen. Vijf weken later voelde ik me mentaal en fysiek sterk genoeg om weer te gaan werken.

De therapie heb ik nog een half jaar voortgezet. Dan had ik het gevoel: nu is alles verteld, ik ben er klaar mee en – heel cliché, maar wel waar – ik ben er sterker uitgekomen.”

Maria (76) kreeg een depressie in haar menopauze

“De psychiater schreef het op mijn ziektebriefje toen ik op mijn vijfenveertigste bij haar belandde: ‘depressie’. Ik moest wennen aan de diagnose, want het was niet dat ik dagenlang in de zetel lag te slapen en niks meer kon doen. Ik huilde veel, dat wel. Maar voor mij voelde het toch meer als… onrust. Dat was het, ja. Het gevoel van niet diep te kunnen ademen, van altijd opgejaagd rond te lopen en te zuchten. Dat zat altijd hier, in mijn borst.

“Op een dag zat ik uitgeput bij de huisarts. ‘Je zit er veel dieper in dan je denkt’, zei hij”

‘De zenuwen’ noemde mijn moeder het. Zij nam ’s morgens een poedertje om energie te krijgen, ’s avonds een valium om rustig te worden. Gebrek aan energie en angst, daar heb ik net als zij mijn hele leven mee geworsteld. De crash kwam er pas rond mijn vijfenveertigste. Ik belandde in de menopauze, er waren conflicten op het werk waar ik ’s nachts van wakker lag en mijn ouders gingen fel achteruit. Dat vroeg allemaal veel energie. Niks onoverkomelijks als je alles afzonderlijk bekijkt, maar de emmer geraakte vol en liep over. Ik had veel huilbuien en kreeg paniekaanvallen op het werk, ik verzwaarde en voelde me niet goed meer in mijn vel.

Op een dag zat ik uitgeput bij de huisarts. ‘Je zit er veel dieper in dan je denkt’, zei hij. ‘Je hebt een goeie man, de kinderen doen het goed, je hebt een fijne job, wat wil je dan nog meer?’ Veel mensen begrepen het niet. Maar ik was gewoon ongelukkig. Het is moeilijk om uit te leggen aan iemand die het niet meegemaakt heeft. Uiteindelijk gaf de huisarts me een antidepressivum. Na een paar weken werd het rustiger in mijn hoofd. Ik kon weer gaan werken, maar er zijn nadien nog geregeld periodes geweest dat ik uitviel.

Ik heb allerlei soorten therapie geprobeerd, klassiek en alternatief. Het was pas toen ik zestig werd, dat ik kon zeggen: nu ben ik erdoor. Ik kon met vervroegd pensioen, ik zocht naar hobby’s waar ik mijn creativiteit in kwijt kon, we reisden veel… Ik ben nog altijd heel gevoelig. Hoewel ik al meer dan dertig jaar elke dag mijn medicatie neem, sluipt die onrust er af en toe nog in. Zeker in de winter.

Maar tegelijk voel ik ook een kracht in mij om me erover te zetten. ‘Hup, naar buiten’, zeg ik dan tegen mezelf. Ik weet dat het weer voorbijgaat. Ik denk niet dat ik er nog aan onderdoor zal gaan zoals toen, nee. Meer dan ooit wil ik nog genieten van de jaren die voor me liggen.”

Tina’s (41) moeder is chronisch depressief. Zij erfde het

“Mijn moeder was warm, sociaal en lief. Niet het type vrouw dat je associeert met een depressie. En toch vond ik haar vaak ’s morgens huilend in de badkamer, lag ze met periodes de hele dag in bed en moest een tante voor ons komen zorgen.

Ze had een zogenaamde endogene depressie – een chronische depressie – en was ongelukkig zonder aanleiding. Ze ging wel naar een psychiater, maar veel had ze daar niet te vertellen. Mijn moeder had gewoonweg een stofje te kort in haar hersenen. Daar kreeg ze medicatie voor. Soms hielp die, soms niet.

Bij mij is het erin geslopen rond mijn drie- à vierentwintigste. Ik kan niet één moment aanduiden dat ik dacht: toen werd ik depressief. Laat staan dat er een aanleiding was. Ik was net afgestudeerd, woonde samen met een goeie vriendin. Het was alsof er langzaamaan een scherm kwam te staan tussen mezelf en de buitenwereld. Ik zag alles, maar ik voelde niks meer, ik kon niet meer deelnemen aan het leven. Wat er nog wel binnenkwam, was alleen maar negatief. Mensen vonden me niet leuk, ik deed alles verkeerd, dat idee. Ik kon niks meer relativeren, elke goedbedoelde vorm van kritiek kwam verkeerd binnen.

Ik heb er een tijdje mee rondgelopen, want ik wilde mijn moeder er niet mee belasten. Tot ik op een dag toch naar een psychiater ben gestapt. Ik kon niet veel vertellen, ik had niks traumatisch meegemaakt in mijn jeugd. Ik kon alleen uitleggen hoe ik me voelde, dat het zo vreselijk druk was in mijn hoofd en dat ik niks meer voor mekaar kreeg. Ik zat thuis, sliep heel veel en kwam amper nog buiten. Die psychiater voelde me gelukkig heel goed aan en is op zoek gegaan naar de juiste medicatie. Sommige pillen deden niks, door andere voelde ik me een zombie.

“Mijn beste vriendin zei geregeld: ‘Tina, je hebt toch alles om gelukkig te zijn? Hup, een trap onder je kont!’ Dat is het allerergste wat je tegen iemand met een depressie kunt zeggen”

Het was echt zoeken, maar na een jaar of zo vonden we iets dat werkte. Niet vanaf dag één, hoor, maar na een paar weken werd ik rustiger. Ik begon weer dingen te voelen, te ruiken. Het licht werd ook anders, letterlijk. Alsof de zon die naar binnen scheen plots een andere kleur had.

Mijn beste vriendin die in die periode bij me woonde, zei geregeld: ‘Tina, je hebt toch alles om gelukkig te zijn? Hup, een trap onder je kont!’ Dat is het allerergste wat je tegen iemand met een depressie kunt zeggen. Ik wilde dat niet, hé. Ik voelde me zo onbegrepen, schuldig ook, omdat ik niet in staat was om een gewoon leven te leiden.

De erkenning van de psychiater heeft me geholpen, én de medicatie natuurlijk. Ik neem vandaag dezelfde pillen als mijn moeder, zij het in veel lagere dosis. Ik heb een paar keer geprobeerd te stoppen, zeker toen ik aan kinderen wilde beginnen. Maar telkens kwam dat scherm tussen mij en de wereld terug. Het blijft een beetje een taboe, vind ik, maar intussen heb ik mezelf ermee verzoend en neem ik al tien jaar medicijnen. Ik voel me sterk, weerbaar en flexibel.

Ik ben wel extra alert voor hoe ik mijn kinderen opvoed. Want hoewel het erfelijk is, heeft mijn moeder zelf nooit de bouwstenen gekregen om voor zichzelf op te komen, en heeft ze die dus ook niet aan mij kunnen geven. Misschien was het toch anders gelopen als ze mij weerbaarder had gemaakt, als ze mij de tools had gegeven om ermee om te gaan.”

Wat zegt de expert?

Dr. Nele Van de Velde, psychiater bij het UZ Gent: “Tien tot twintig procent van de bevolking krijgt in z’n leven met depressie te maken. Veel mensen denken dat je dan uitgeteld in bed ligt. Dat is het typische beeld uit films. Maar in realiteit uit een depressie zich op heel verschillende manieren.”

Hoe stellen jullie de diagnose?

“We spreken van een depressie als je gedurende twee weken of langer kampt met minstens vijf van deze negen symptomen:

  1. Eerst en vooral is er een sombere stemming en/of verlies van interesse en plezier. Een van deze twee kenmerken moet er zijn. Verder gaat het om:
  2. Gewichtsverlies of gewichtstoename, vermindering van eetlust of toename.
  3. Verstoorde slaap: van heel veel slapen tot niet slapen.
  4. Aangetaste motoriek. Dat kan rusteloosheid, zwaar zuchten, handenwringen of ijsberen zijn, maar ook het omgekeerde: vertraagde motoriek of bijvoorbeeld minder makkelijk spreken.
  5. Energieverlies, gevoelens van uitputting.
  6. Gevoel van waardeloosheid of schuld.
  7. Moeite met concentratie, bijvoorbeeld niet meer kunnen volgen bij het lezen of tv-kijken.
  8. Besluiteloosheid.
  9. Zelfmoordgedachten of zelfmoordpogingen.”

Bij Tina en Maria zaten depressies in de familie. Is het inderdaad erfelijk?

“Ja, onze genen spelen zeker mee. Als een verwante in de eerste graad een depressie heeft, loop je twee tot vier keer meer risico. Ook het geslacht speelt mee: vrouwen maken twee keer meer kans dan mannen, maar het is onduidelijk waarom.”

Wat weten jullie nog over de oorzaken?

“Een depressie is altijd een complex gegeven. Naast erfelijkheid en geslacht spelen psychische factoren een rol: de trauma’s die je meemaakt, maar ook je persoonlijkheid en je temperament. Mensen die bijvoorbeeld van nature angstig of impulsief zijn, zijn kwetsbaarder. Tot slot is er de sociale context: je gezinssituatie, de mate van steun en bescherming die je voelt en de socio-economische klasse waarin je zit. Hoe lager de klasse, hoe meer risico. Dat is één verklaring van een depressie.

Een tweede model dat we gebruiken om de oorzaak aan te duiden, is de balkmetafoor. Die kijkt naar je draagkracht en draaglast. Als de last die je moet dragen, groter is dan je kracht, raakt je stresshantering uitgeput en kun je in een depressie belanden. De website balkmetafoor.be maakt dat mechanisme duidelijk. Je kunt op die site trouwens zelf je draagkracht en draaglast in kaart brengen.”

Hoe behandelen jullie een depressie?

“Er is een waaier aan mogelijkheden. We bekijken de opties altijd in functie van de ernst van de depressie – wat is bijvoorbeeld het risico op zelfdoding – en de voorkeur van patiënt.

  • Medicatie: een antidepressivum zal de beschikbaarheid van onder andere serotonine verhogen in bepaalde hersendelen die een rol spelen bij depressie.
  • Psychotherapie: dat gaat van cognitieve gedragstherapie om negatieve gedachten aan te pakken en mensen, letterlijk, weer in beweging te krijgen tot relatietherapie, aangezien depressie en relatieproblemen hand in hand gaan. Er is ook nog systeemtherapie, die ook aandacht heeft voor context.
  • Beweging: bij een milde tot matige depressie zien we dat bewegen (drie à vier keer per week gedurende 45 minuten) ook zeer effectief is.”

Drie van de vijf getuigen namen een antidepressivum, twee niet. Hoe staan jullie daar tegenover?

“Dat hangt af van het soort depressie en de oorzaak. Sommige mensen reageren heel goed op medicatie, zoals Dina. Soms is het heel lang zoeken naar de juiste medicatie, want er zijn veel verschillende vormen. Hoe langer we moeten zoeken, hoe kleiner de kans dat we iets geschikts vinden.

Het werkt ook niet bij iedereen, iets meer dan twee derde van de mensen met een depressie kan ermee geholpen worden. Als je medicatie neemt, is de combinatie met therapie sowieso het meest effectief.”

En wat met een opname in de psychiatrie?

“Er is, in samenspraak met de patiënt en/ of de familie, ook de mogelijkheid tot dagtherapie of opname. Dat is meestal een combinatie van medicatie en een therapeutisch programma. Patiënten leren op zoek te gaan naar een activiteit die hen weer plezier geeft en leren opnieuw complexere taken uit te voeren.

Daarnaast is er therapie. We vertellen wat een depressie is en zoeken naar hoe je piekergedachten kunt aanpakken en grenzen kunt leren te stellen. Hier in het UZ Gent is er ook non-verbale therapie, met een bewegingstherapeut en dramatherapeut. In een andere rol stappen kan helpen om op een andere manier naar jezelf te kijken.”

Tot slot, kun je het verschil uitleggen tussen een depressie en burn-out?

“Het is nog onduidelijk hoe depressie en burn-out zich tot elkaar verhouden. We beschrijven een burn-out als een syndroom dat gelinkt is aan overbelasting op het werk: emotionele uitputting, verminderd gevoel van eigenwaarde en energie, geen motivatie… We zien wel vaak dat een ernstige burn-out en stress op het werk zich voortzetten tot een depressie.”

Dringend nood aan een gesprek? Bij de zelfmoordlijn 1813 en op hun website staat er altijd iemand voor je klaar. Elk gesprek is gratis en anoniem. 

Uit: Libelle 14/2021 – Tekst: Annelies Dyck

VERDER LEZEN:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!