Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
© Getty Images

De kracht van familie: “Hoe diep hij ook viel, ik zag nooit alleen die drugsverslaafde, maar altijd ook mijn kind”

Door Els De Ridder

Soms loopt het leven niet zoals verwacht, maar als je dan kunt terugvallen op een sterke familieband, dan biedt dat perspectief én hoop!

Zo onvoorwaardelijk is de kracht van familie

Patricia groeide op bij haar grootouders, nadat haar ouders verongelukten

Patricia (59): “Op een zomernacht in 1962 zijn mijn beide ouders verongelukt. Ze waren naar de kermis geweest in Sint-Niklaas, ik logeerde een nachtje bij mijn grootouders in Temse. Op de terugweg zijn ze op een stilstaande vrachtwagen ingereden. Mijn moeder – op dat moment hoogzwanger – en mijn vader waren op slag dood, net zoals de zus van mijn vader, die ook in de auto zat. Ook de baby heeft het niet gehaald. Enkel de chauffeur, de vriend van mijn vaders zus, heeft de klap overleefd. Terwijl ik boven lag te slapen, stonden er beneden agenten aan de voordeur die mijn grootmoeder kwamen vertellen dat haar zoon, dochter, schoondochter én kleinkind dood waren.

Stiekem afspreken op straat

Ik was toen veertien maanden oud, veel te klein om te beseffen wat er aan de hand was. Hoe groot de klap ook was voor mijn grootouders, zelf heb ik weinig last gehad van het verlies. Mijn ouders, dat waren voor mij moemoe en bompa. Zij hebben me na het ongeval zonder aarzelen in huis genomen, ook al waren ze toen al de zestig voorbij. Het was voor hen een troost om voor mij te kunnen zorgen, na de dood van hun kinderen. Niet dat het huis voortdurend vol verdriet hing, integendeel. Mijn grootouders hebben hun hoofd nooit laten hangen. Ze hebben er alles aan gedaan om mij zo normaal mogelijk op te voeden, al werd ik ook wel flink verwend. Mijn kleren kwamen altijd van Princess in Antwerpen – daar stond moemoe op. Elke verjaardag werd gevierd met veel taart, cadeautjes en familie. Ik werd door iedereen vertroeteld, vooral door mijn grootmoeder. Zij zei zelden neen. En als ik dan toch eens mijn zin niet kreeg, liep ik rondjes rond de tafel – ik wist dat ze me toch niet kon pakken. (lacht) We knuffelden veel, speelden samen gezelschapsspelletjes en kaartspelletjes, gingen samen winkelen,… Bompa is gestorven toen ik twaalf was, dus hem heb ik niet zo lang gekend, maar moemoe was mijn rots in de branding. Ik kon altijd met alles bij haar terecht, ook als puber. Ondanks haar leeftijd was ze heel open van geest. Ze wist goed dat ik ’s avonds stiekem het huis uit sloop om op straat met de jongens rond te hangen, maar ze liet me doen. Misschien soms wat té veel. (lacht) Ik heb niets dan warme herinneringen aan mijn kindertijd.

“Ik werd door iedereen vertroeteld. En als ik mijn zin niet kreeg, liep ik rondjes rond de tafel, ik wist dat moemoe me toch niet kon pakken…”

Op reis met tante José

Ik wist al heel vroeg dat mijn echte ouders dood waren. Mijn grootmoeder wilde ook niet dat ik ‘mama’ zei tegen haar, ik moest ‘moemoe’ zeggen. Voor mij was dat allemaal heel gewoon, al voelde ik wel dat mijn thuissituatie anders was dan bij de meeste klasgenootjes. Ik had geen jonge ouders, broers of zussen met wie ik kon ravotten of ruzie kon maken. In plaats daarvan ging ik mee kaarten met mijn grootouders en hun vrienden. Ik zat altijd tussen de oudere mensen. In de familie van mijn moeder waren wel wat neefjes en nichtjes van mijn leeftijd, maar die zag ik weinig. Pas toen ik zelf kinderen kreeg, ben ik beginnen beseffen hoe een ‘normale’ band tussen moeder en kind eigenlijk voelt. Een goed gesprek met je mama is niet hetzelfde als een goed gesprek met je grootmoeder, hoe innig de band ook is. Maar op het moment zelf heb ik dat eigenlijk nooit als een gemis ervaren. Bij bompa en moemoe, dat was mijn veilige thuishaven. Ik werd ook heel veel mee op sleeptouw genomen door de tante José, de zus van mijn grootmoeder. Zij was één van mijn voogden. Ze werkte als kapster, en tijdens het weekend bracht ik uren bij haar door in het kapsalon. Zij en haar man hadden zelf geen kinderen, ze beschouwden mij zo’n beetje als hun dochter. Ze namen me overal mee op familiebezoek, en elke zomer ging ik met hen een hele maand mee op reis. Mijn grootouders hadden niet eens een auto, maar dankzij tante José en nonkel Gaston heb ik een groot stuk van de wereld gezien.

Groot gemis

Ik heb geen trauma overgehouden aan het verlies van mijn ouders, wél een grote drang naar een gezin. Ik wist al snel dat ik meer dan één kind wilde. Ik wilde niet dat mijn zoon alleen zou achterblijven mocht er met mij en mijn man iets gebeuren. We kregen uiteindelijk vier kinderen – en zes kleinkinderen – en ik heb me al vaak proberen inbeelden wat ik zou doen mocht hen iets overkomen. Als ik nu bedenk hoe mijn grootouders hun leven opnieuw in handen genomen hebben, na zo’n tragedie, kan ik daar alleen maar bewondering voor hebben. Vooral mijn grootmoeder was een ongelooflijk sterke vrouw. Ze stak haar verdriet niet weg, maar bleef vooruit gaan, voor mij. Ze is gestorven toen ik 27 was, mijn drie oudste kinderen heeft ze nog een stukje zien opgroeien. Ze is vrij onverwacht overleden, zonder dat ik echt afscheid van haar heb kunnen nemen. Gelukkig heb ik haar vaak genoeg gezegd dat ik haar graag zag, en dat ik blij was dat ze me opgevangen heeft.

“Als ik nu bedenk hoe mijn grootouders hun leven opnieuw in handen genomen hebben, na zo’n tragedie, kan ik daar alleen maar bewondering voor hebben”

Enkele maanden geleden is ook tante José gestorven. Ze was 98 jaar, ze overleed aan corona. Met haar dood heb ik het veel moeilijker. Zij is het enige familielid dat nooit uit mijn leven is verdwenen. Ze was meter van mijn jongste dochter, en elke week gingen we bij haar op bezoek, of kwam zij naar ons. Iedere verjaardag was ze erbij. Ze was mijn tweede moeder. Later nam ik haar geregeld een weekje mee naar Duitsland, op vakantie bij vrienden. Dat vond ze zalig. Zelfs toen ze in het rusthuis zat, ging ik nog elke woensdagmiddag mijn boterhammen bij haar opeten. Zij laat echt een leegte achter. Voor het eerst voel ik een soort eenzaamheid, alsof ik nu pas écht een weeskind ben. Dat heb ik nooit eerder zo ervaren, zelfs als kind niet. Want ook al was ik mijn ouders kwijt, ik heb nooit het gevoel gehad dat ik alleen op de wereld was. En daar ben ik moemoe en tante José ontzettend dankbaar voor.”

Denise heeft de hoop in haar drugsverslaafde zoon nooit opgegeven

Denise (63): “Een jongensmama ben ik. Mijn zonen waren als kind plezante deugnieten, en ik was een zorgeloze moeder. Mijn scheiding zorgde voor een pijnlijke kentering. Ik stond er ineens alleen voor en besefte dat ik als alleenstaande moeder sterk moest staan, want op hun vader zou ik niet altijd kunnen rekenen. Ik volgde therapie, verwerkte mijn opgelopen kwetsuren en stond stevig op mijn benen. Nooit had ik kunnen vermoeden dat mijn leven vanaf dan, vijftien jaar lang, in het teken zou staan van dat oudste kind. Maar goed dat ik sterk stond, want ik had een leven te redden, namelijk dat van mijn zoon Tom.

Red mijn kind

In het begin ging alles nog zijn gangetje, maar toen Tom in het zesde leerjaar zat, zag ik hem voor het eerst worstelen. Het klikte niet met de klasleerkracht en dat zorgde voor wrijving, hij voelde zich onbegrepen en in de steek gelaten door zijn vader en bovendien was Tom gevoelig, en dat bleek spijtig genoeg een voedingsbodem voor problemen. In zijn nieuwe school had Tom wel een goede en betrokken klastitularis, maar was het ook die man die me wees op Toms drugsgebruik. Hij was toen veertien. Ik viel uit de lucht. We woonden in een goede buurt, drugs was voor mij een ver-van-mijn-bedshow. Maar ik besefte snel dat die plastieken zakjes die ik al had aangetroffen op zijn kamer, niet van snoep waren, maar van speed. En die keer dat hij rillend van de koorts thuis bleef van school, en uit zijn neus bloedde, was ook niet zo onschuldig als ik eerst dacht. Mijn kind zat aan de hard drugs. Heel bevreemdend en beangstigend was dat. We werden doorgestuurd naar De Sleutel, en het leek alsof ik daar in een nachtmerrie stapte. We werden er omringd door zwaar verslaafde volwassenen, en ik zat daar met een prille tiener naast me, nog een kind. Een kind dat moest gered worden. Dat ik zou redden, koste wat het kost. Dat wist ik zeker. Maar ik voelde me ook alleen. Ik miste een man naast me, een aanwezige vader: als klankbord, als ruggensteun, iemand die met de vuist op tafel durfde te kloppen…

“Talloze keren ging ik hem midden in de nacht zoeken in de bossen – hij op de vlucht, volledig onder invloed”

Ik belde alle hulplijnen, informeerde me, en beleefde intrieste situaties. Mijn zoon probeerde me te manipuleren, loog tegen me… De talloze keren dat ik hem, samen met mijn mama, midden in de nacht, ging zoeken in de bossen – hij op de vlucht, volledig onder invloed. We wilden hem helpen, er voor hem zijn, maar je kunt dat als ouder niet zonder professionele hulp. En het erge is: voor minderjarige verslaafden was er in die tijd, de jaren negentig, geen opvang, en amper gespecialiseerde hulp. Ik ging daarom op zoek naar scholen waar hij zich wel goed voelde, deed aan gezinsbegeleiding en zag in dat mijn zoon drugs gebruikte om emoties te onderdrukken, om dat vaderlijke gemis niet meer te voelen, om te kunnen meedraaien in de maatschappij… En ondertussen probeerde ik met hem te praten, er voor hem te zijn, hem mijn vertrouwen te geven. Ik liet hem altijd weer binnen, en op goede momenten hadden we goede gesprekken. Maar ik kon het gif niet tegenhouden: ik zag Tom vermageren, verschrompelen. Een zeventienjarige in de ban van alcohol en drugs, hopeloos verslaafd. Een eerste opname volgde, het begin van een zeer woelig traject. Tom startte in de tijd die verschillende therapieën, liet zich opnemen, maar wist ook altijd weer te ontsnappen. Dan liep hij weg uit het centrum of de instelling, en was het weer van begin af aan.

Ik heb momenten van pure wanhoop gehad, maar ben altijd in mijn zoon blijven geloven. Ik zag altijd nog dat goedhartige kind dat hulp nodig had, want mijn zoon was geen misdadiger. En ja, ik ben in die periode enkele keren gecrasht, ja, ik heb geweend – gehuild als een wolvin eigenlijk. Toms drugsproblemen zorgden voor een constante angst in mijn lijf en leden, voor een immer aanwezige bezorgdheid. Maar: ik moest me sterk houden en blijven functioneren voor Tom, en voor mijn andere zoon. Ik moest er altijd voor hen kunnen zijn.

Gebroken hart

Met vallen, en nog dieper vallen sukkelde Tom verder. Hij was ondertussen begin twintig en verschillende keren opgenomen, maar evenveel keren ontsnapt. Hij beukte deuren in en liep altijd weer richting drugs. Iedere keer hij ontsnapte, kwamen we dichter bij dat akelige dieptepunt. En toch gaven we hem telkens nog een kans, want die eerste stap naar hulp was altijd weer belangrijk. Ik herinner me die keer dat we in een ultieme poging naar een instelling reden waar hij zou behandeld worden én ook voorbereid worden op het leven erna. Veelbelovend klonk dat. Het gaf me ergens rust, dit was een plek waar hij een tijdje veilig zou zijn. Tom zat naast me tijdens de rit naar het centrum en door de radio klonk het liedje van Wim De Craene ‘Hier laat ik je los, Tim’. (slikt) Het was echt loslaten. Dat was niet makkelijk, maar wel nodig. Maar ook daar liep hij na drie maanden weg. Ik kreeg het nieuws op mijn werk, en was radeloos. Want er restte nog maar een scenario: mijn zoon een tijdlang niet meer helpen en niet meer binnenlaten in mijn huis. Geen hand meer vasthouden, maar hem laten wegzakken tot het ultieme dieptepunt, en vurig hopen dat hij intussen tot inzicht zou komen, dat hij gemotiveerd zou raken om toch te blijven leven, om te willen genezen. Ik zei hem: ‘Tom, dit is jouw leven en jouw verantwoordelijkheid. Je doet het vanaf nu zonder ons’ Dat gesprek voeren is het lastigste wat ik ooit heb moeten doen. Het voelde alsof er een stuk uit mijn hart werd gesneden.

“‘Vanaf nu doe je het zonder ons’ zei ik hem. Ik moést wel, maar het voelde alsof er een stuk uit mijn hart werd gesneden”

Voorzichtig leren leven

Het luidde een periode van stilte in, maar hij was altijd in mijn gedachten. Waar is mijn Tom? Als ik van iemand aan het station een daklozenkrantje ontving, dan kroop dat enge gevoel tot in mijn tenen: ligt mijn zoon nu ook in de goot? Heeft hij het koud? Waar is hij nu? Ik weet nog dat ik met een vriendin op stap was in de stad, en dat ik midden op straat ben ingestort en in tranen riep: ‘Mijn kind gaat dood’. Hij is in die periode enkele keren met een overdosis op spoed beland, en toen we hem weerzagen was hij extreem paranoïde… Hij beschuldigde me ook van mishandeling. Maar nooit was dat een reden om hem te laten vallen: ik zag nooit alleen die drugsverslaafde, maar altijd ook mijn kind.

In een allerlaatste reddingspoging hebben we Tom laten colloqueren, ’n verplichte opname van een maand. Het zou uiteindelijk voor een doorbraak zorgen: ik zag mijn zoon verbeteren, rustiger worden. Hij wilde niet meer kapot, hij wilde léven. Na die opname had hij een plek nodig om te kunnen landen, om terug een leven op te bouwen… Alleen wonen was geen optie, dus kon hij bij mij terecht. Het was weer Tom en ik. Bij mij thuis kon hij ‘revalideren’. Lichamelijk was hij dan wel afgekickt, in zijn hoofd was er nog veel werk aan de winkel. De steun om daarmee aan de slag te gaan vindt hij bij de NA (Narcotics Anonymous, een zelfhulpgroep die zich baseert op het 12-stappenplan van de AA, red.). Hij besefte dat hij zonder mij er al lang niet meer zou geweest zijn, dat heeft hij me enkele keren gezegd. Hij belt me nog altijd dagelijks, minstens een keer, en dan vraagt hij: ‘Moederke, ziede mij nog geire?’

Soms vraagt hij: ‘Mama, zie jij me echt zo graag als ik Lia graag zie?’ En dan knik ik. Hij vindt dat ongelooflijk, ondanks alles”

‘Alles komt goed’

Tom is ondertussen een veertiger, en vijftien jaar clean. Er zijn nog moeilijke momenten, maar steeds minder. Hij heeft nu een carrière, en een prachtig gezin met dochtertje Lia van bijna drie. En dan zegt hij me: ‘Mama, zie jij me echt zo graag als ik Lia graag zie?’ En dan knik ik. Hij vindt dat ongelooflijk, ondanks alles. Zelf ben ik nooit mijn geloof in hem verloren, en werd ik ook geregeld aangemoedigd door mijn vrienden die zeiden: ‘Het komt goed, Denise. Tom kreeg een goede basis, dat scheelt.’ ‘Alles komt goed’ is nog steeds het mantra van Tom en mij, mooie woorden waarin diep vertrouwen schuilt. En verder voelde ik me gesteund door mijn moeder en mijn collega’s. Ik kon open en eerlijk mijn hart luchten. Ze zorgden ook voor verstrooiing. Toms vader heb ik gemist. En ook mijn eigen vader, die al op jonge leeftijd stierf. Hij had de jongens in die gevoelige tienerjaren mee kunnen opvangen, mee uit vissen kunnen nemen… Soms denk ik: was mijn vader er geweest, dan had ons dat veel miserie bespaard. Maar kijk, het is ons ook gelukt. Mijn zoon heeft samen met mij teruggevochten tegen een gigantisch monster, hij toonde ondanks alles moed en doorzettingsvermogen. Het was een traject van veel vallen en terug recht krabbelen. Maar ook van elkaar blijven omarmen. Onze band heeft drugsdrama’s overleefd, maar wat voor mij telt is dat Tom het heeft overleefd.”

Ontwikkelingspsycholoog prof. Bart Soens over die familieband

Hoe verklaar dat je dat de band met gezin en familie zoveel krachtiger en sterker is dan de band die je hebt met goede vrienden?

Prof. Bart Soens: “Door samen op te groeien, zit je in hetzelfde team. Als broers en zussen bijvoorbeeld, heb je een lange gemeenschappelijke voorgeschiedenis. Je werd opgevoed door dezelfde ouders en kreeg gelijkaardige waarden en normen mee. En uiteraard is er die bloedband die definitiever is dan een vriendschapsband. Zelfs al zijn familieleden soms erg verschillend, die unieke, levenslange tijd samen en dat gemeenschappelijke DNA zorgt vaak voor een clangevoel dat andere banden overstijgt en uniek is in haar veerkracht. Als familie kun je soms scherp uithalen naar elkaar, zijn er teleurstellingen, maar is de onderlinge band doorgaans sterk en gelaagd genoeg om dit aan te kunnen. Een familieband blijft hoe dan ook bestaan, ondanks hier en daar een deuk. De band tussen ouder en kind, of tussen siblings (broers en zussen, red.), is minder inwisselbaar dan bij vriendschappen. Er is geen alternatief. Het voelt ook tegennatuurlijk om die band los te laten of door te knippen, want dan verlies je een stukje identiteit, een stukje van je eigen ontwikkeling. Vriendschapsbanden zijn in die zin kwetsbaarder, onder meer omdat ze recenter van aard zijn. Je breekt doorgaans makkelijker met vrienden dan met familie.”

“Onvoorwaardelijke liefde is ontzettend krachtig: zelfs in de meest uitzichtloze situaties kan het weer voor perspectief zorgen”

Welke rol spelen ouderfiguren in het verwezenlijken van die sterke familieband?

“Als ouder combineer je verschillende rollen, en vanuit al die rollen geef je belangrijke dingen door: je geeft je kinderen een veilig gevoel, leert hen over het leven, geeft hen waarden en normen mee. Je bent de eerste die met hen speelt, je neemt het voor hen op en leert hen om zich veilig en geborgen te voelen en te vertrouwen… Al die verschillende rollen dragen in het beste geval bij tot een hechte, liefdevolle en erg sterke band, sterker dan eender welke andere. Zit die band goed, zijn jullie veilig aan elkaar gehecht, dan krijg je die ook niet zomaar stuk. Een familieband is wederkerig bovendien: wat je als kind kreeg, geef je ook makkelijker terug. Van daaruit groeit de kracht van familie. Die onderlinge onvoorwaardelijke liefde is een ontzettend krachtig iets om op terug te vallen. Het kan in de meest uitzichtloze situaties weer voor perspectief zorgen. Het is een kracht die toelaat om teleurstellingen, misverstanden of tegenvallers, uitzonderlijk veerkrachtig op te vangen.”

Uit Libelle 51/2020 – Tekst: Lien Lammar en Els De Ridder

Meer lezen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!