Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Openhartig: Isabelle en Gerard verloren 48 jaar geleden hun pasgeboren zoontje

Door Herte De Cleyn

Negen maanden uitkijken naar je baby’tje en het dan vlak voor of na de geboorte verliezen, hoe zwaar is dat. Het overkwam Isabelle en Gerard, in een tijd waarin dit verdriet maar snel moest vergeten worden.

“Ik heb mijn kindje nooit gezien …”

Het ergste wat je kan overkomen, is je kind verliezen, wordt terecht gezegd. Ook als het stilgeboren wordt. Gelukkig staat er nu een heel team voor je klaar: de arts en verpleging helpen je om zo mooi mogelijk afscheid te nemen, er worden foto’s gemaakt en wie wil kan via een vereniging zijn verdriet delen met lotgenoten. Maar dat was 48 jaar geleden, toen Isabelle en Gerard hun eerste kindje op de wereld zetten, helemaal anders.

Isabelle (73): “Mijn man en ik woonden in die tijd in het buitenland, maar voor de bevalling zijn we teruggekomen naar mijn geboortestreek in Limburg. De zwangerschap was uitstekend verlopen. Ik ging op controle en alles was goed. Er waren in die tijd natuurlijk nog geen echo’s en zo. Een paar dagen na de uitgerekende datum begon de bevalling, een paar uur later werd ons zoontje geboren. Maar het bleef stil in de verloskamer: ons kindje weende niet.

De opgetrommelde kinderarts neemt het kindje onmiddellijk mee voor een radiografie. Geen van beide ouders zal hun zoontje ooit in de armen krijgen. Isabelles man Gerard ziet het allemaal gebeuren.

Gerard (74): “Alles ging overdonderend snel, ik heb maar een glimp van mijn zoontje opgevangen. Op de foto’s was te zien dat het middenrif niet helemaal gesloten was, waardoor de ingewanden in de borstkas terechtkwamen en de longen verdrukten. Ons kindje kón niet ademen. Hij moest zo snel mogelijk naar Leuven.”

Dat het een zondag was, de dag van de bevalling, dat zal Gerard nooit vergeten. Hij belt zijn schoonbroer en samen rijden ze achter de ambulance aan, het was rustig op de baan.

“Toen ik de papieren moest tekenen, bleek dat zuster Herwig ons kindje ‘gemakshalve’ haar eigen naam had gegeven”

Gerard: “We zetten de auto op de parking en ik haastte mij naar spoedgevallen. Onderweg kwam ik de zuster tegen die meegereisd was in de ziekenwagen en ze sprak me aan: ‘Het is een vogel voor de kat, jong.’ Zo zei zij dat. ‘En oh ja, mogen we een autopsie doen?’ Totaal overdonderd heb ik ja gezegd.

Dat de zuster zo pijnlijk gevoelloos over zijn zoontje sprak, ook dat zal Gerard nooit vergeten.

Gerard: “En toen ik de papieren moest tekenen, bleek dat ons zoontje al een naam gekregen had. Zuster Herwig had hem ‘gemakshalve’ haar eigen naam gegeven. En dus heette ons zoontje ineens Herwig.”

Isabelle vult aan: “In die tijd wisten we natuurlijk niet op voorhand of het een jongen of een meisje zou zijn. We hadden al een meisjesnaam gekozen, maar twijfelden nog tussen een paar jongensnamen. ‘Welke naam wilt ge dan?’ snauwde zuster Herwig mijn man toe. Daarop heeft mijn man gezegd: ‘Laat het maar zo.’ En zo is het Herwig gebleven.”

Maar wanneer ze in Leuven aandringen om hun kindje met een plaatselijke begrafenisondernemer mee te geven, houdt Gerard het been stijf.

Gerard: “Ik moest naar een afdeling in het ziekenhuis gaan om ons zoontje te laten begraven. ‘Laat het maar hier,’ zeiden ze, ‘we zullen het wel regelen met de begrafenisondernemer.’ Maar toen heb ik nee gezegd, we wilden hem laten overbrengen naar Limburg. Ik heb daar wel een beetje voor moeten onderhandelen.”

Al die tijd lag Isabelle in het ziekenhuis.

Isabelle: “Tien dagen lang ben ik daar moeten blijven, zonder kind. Ik heb mijn kindje nooit gezien, nooit in mijn armen gehad, heb er geen enkele foto van. Dat niemand ons dat gezegd heeft: ‘Neem er toch een foto van…’ Door alle emoties hebben we daar zelf ook niet aan gedacht. Ik heb een rompertje meegegeven voor de begrafenis en kan alleen maar hopen dat ons kindje daar effectief in begraven is.”

Gerard organiseert de dienst en neemt een paar dagen later afscheid van zijn zoontje.

“Ik heb mijn kindje nooit gezien, nooit in mijn armen gehad, heb er geen enkele foto van”

Gerard: “Onze familie en vrienden waren erbij, hun aanwezigheid en steun waren hartverwarmend. Ons kindje ligt op een heel mooi plekje, op een nieuw kinderkerkhof.

Isabelle: “Alleen ik mocht niet mee, ik moest in het ziekenhuis blijven. En ja… (zucht) dat was het dan. Iedereen is achteraf wel langsgekomen, dat weet ik nog. Maar er zijn veel dingen die je door alle emoties kwijtraakt. Hoe ben ik die tien dagen in het ziekenhuis doorgekomen? Ik weet het niet. Toen ik naar huis mocht, kon ik eens naar het grafje gaan kijken. Daar komt nog bij dat we ons kindje niet mochten aangeven op het gemeentehuis: officieel moest het geen naam hebben, alsof het nooit bestaan heeft. Dat vond ik heel erg.”

Gewoon verderdoen

In het ziekenhuis werd ook niet over de kleine Herwig gesproken. Het idee toen was: praat er niet over en het verdriet zal vanzelf overgaan.

Isabelle: “Vroeger was dat zo, er werd zo weinig mogelijk over gepraat. De aalmoezenier kwam eens met je praten, maar voor de rest… De verpleging? Die sprak daar ook niet over. Ik herinner me dat mijn schoonzus op bezoek kwam. We namen elkaar vast en begonnen te huilen. Toen er een zuster binnenkwam, keek ze naar ons met een blik van: je moet dat niet doen, dat wakkert alleen maar je verdriet aan. Maar een mens moet zijn hart toch eens kunnen luchten en eens kunnen uithuilen? (stil) Anders denk ik dat je verstrikt raakt in je verdriet. Er zijn veel traantjes geweest, maar je probeert ook te denken: dit is mij nu overkomen, maar we moeten vooruit. Niet blijven steken in je verdriet. Verderdoen. Gewoon verderdoen.”

“In het ziekenhuis werd ook niet over de kleine Herwig gesproken”

Terug thuis herneemt het leven zich, en Gerard gaat weer aan het werk. Ook daar werd er weinig gepraat over wat gebeurd was.

Isabelle: “En dan moet je verder hé. Je denkt: hoe kon dit gebeuren bij ons eerste kindje? Maar volgens de artsen was het een speling van het lot en stond niks ons in de weg om weer zwanger te worden. Een jaar later is ons tweede kindje geboren, opnieuw een jongetje.”

Deze keer konden ze hun zoontje wél officieel aangeven, kreeg het wel een plek in hun trouwboekje.

Isabelle: “Onze pasgeboren zoon stond als eerste en enige in ons trouwboekje, maar wij zeiden: hij ís niet onze eerstgeboren zoon. En toen hebben ze er in potlood ‘tweede geboorte’ bijgeschreven. Daarna, ik weet niet meer in welk jaar, is de wet gewijzigd en kon je zulke kindjes alsnog officieel aangeven en in je trouwboekje laten zetten. Dat hebben wij meteen gedaan, Herwig hoort óók bij ons gezin.

Het hoort bij ons

Dat er nu zoveel meer bestaat voor ouders die hun kindje zo snel moeten afgeven, vindt Isabelle een goede zaak.

Isabelle: “Dat ouders hun overleden kindje nu in de armen krijgen, dat er foto’s genomen worden en dat je op een mooie manier afscheid kunt nemen, vind ik een héle verbetering. Daar heb ik nog altijd zoveel spijt van, dat ik mijn kindje nooit gezien en gevoeld heb, dat ik als tastbare herinnering alleen maar een radiografie en een grafje heb. Ik heb weleens overwogen om naar de begrafenisondernemer van toen te bellen, om te vragen of er foto’s waren, maar heb het uiteindelijk nooit gedaan. Wij hielden ons verdriet meer binnenskamers, hadden veel steun aan elkaar.”

Met al wat nadien nog in hun leven gekomen is en met het ouder worden, hebben Isabelle en Gerard het verlies van Herwigje een plaats gegeven. Ik vraag of het lastig is om hierover te vertellen.

Isabelle: “Er komen wel herinneringen boven, maar nee, het is niet moeilijk. We hebben het een en ander meegemaakt en je moet de tijd nemen om te rouwen, maar zo is het leven. De ene dag gaat al beter dan de andere, en het zijn soms kleinigheden die iets kunnen losmaken. Een liedje zoals ‘Ik geef je een roosje, m’n roosje’, bijvoorbeeld, dat me telkens weer in het hart raakt. En natuurlijk vraag ik me ook weleens af wat er van Herwig geworden zou zijn. Welk beroep hij zou hebben, of hij kinderen zou gehad hebben, op wie hij geleken zou hebben. Anderzijds, als dit ons niet overkomen was, hadden we misschien onze jongste dochter niet gehad. Het leven loopt zoals het loopt, je merkt dat iederéén verdrietige dingen meemaakt. Wat ons overkomen is, hoort gewoon bij ons.”

“Daar heb ik nog altijd zoveel spijt van, dat ik mijn kindje nooit gezien en gevoeld heb”

Al hield Isabelle bij de geboorte van elk kleinkind haar hart vast: “Bij elke zwangerschap was ik bang dat er iets zou mislopen. Zelf heb ik het meegemaakt, maar mijn kinderen… nee.” (stil)

Gerard: “Mochten we geen andere kinderen gekregen hebben, geen kleinkinderen hebben, dan zouden we er misschien intensiever mee bezig zijn. Ook de steun van onze familie en vrienden heeft ons erdoorheen geholpen. Wij stonden niet alleen met ons verdriet.

Gerard laat een foto zien van het kerkhof, een ontroerende cirkel van kleine grafjes, allemaal met dezelfde witte steen. De broers en schoonzussen van Gerard en Isabelle staan ook op de foto, bij het grafje van Herwig.

Gerard: “Zij gaan elk jaar met Allerheiligen bloemen zetten op zijn grafje, vóór wij arriveren, zodat wij dat niet moeten doen. Dat ook zij hem na al die jaren nog niet vergeten zijn, dat betekent zoveel voor ons.

Meer weten?

  • Helpen bij verlies en verdriet, door Manu Keirse (uitg. Lannoo)
  • Prof. Keirse spreekt ook op het eerste Vlaamse sterrenkinderencongres op 8 oktober in Blankenberge. Meer info op sterrenkinderen.be
  • Het Berrefonds ondersteunt ouders die hun kindje verloren hebben van bij de zwangerschap tot 12 jaar
  • De fotografen van Boven de Wolken bezorgen ouders een blijvende herinnering aan hun overleden kindje
  • Met Lege Handen is een zelfhulpgroep van en voor ouders van een overleden baby

Lees het volledige verhaal in Libelle 38/2022.

MEER LEZEN:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!