Koen

Comme chez Koen: “De kans is groot dat Aimé binnen niet al te lange tijd alleen zal zijn als de gezondheid van zijn vrouw blijft achteruitgaan”

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

De oude Aimé zit alleen op het bankje voor zijn huis en straalt een en al droefheid uit. Ik heb gehoord dat zijn vrouw Marceline in het ziekenhuis ligt.

“Het is weer de suiker”, klaagt Aimé, als ik hem vraag hoe het met haar gaat. “Ik hoop maar dat ze haar voet niet moeten amputeren.”

“Is het zo erg?”

De bejaarde man krijgt tranen in zijn ogen. Hij veegt ze weg en maakt een wegwerpgebaar alsof hij kwaad is op zichzelf. “Sorry dat ik je hiermee lastigval, maar ik ben telkens weer bang dat ik haar ga verliezen.”

Voor we er erg in hebben, zit ik op een stoel en voeren we een diep gesprek over hoe snel het leven voorbijholt, en over afscheid nemen.

“Ik wil niet alleen achterblijven”, zucht Aimé.

Hoe troost je een man die diep in de tachtig is, zonder in banale clichés te vervallen? Want natuurlijk is de kans groot dat hij binnen niet al te lange tijd alleen zal zijn als de gezondheid van zijn vrouw zo snel blijft achteruitgaan.

“Eenzaam zul je toch nooit zijn”, zeg ik voorzichtig. Aimé is een van de actiefste figuren in het dorp. Hij helpt nog elke week een halve dag in de kleine bibliotheek boven het gemeentehuis, zit in de ouderlingenraad en is de grote bezieler van het jaarlijkse buurtfeest. “Al die mensen die je kent…”

“Ach, mensen, mensen,” zucht hij, “als het erop aankomt, telt enkel familie, en die heb ik niet meer. Er is alleen nog een kleinnichtje dat om de zoveel maanden eens iets laat horen, meestal als ze krap bij kas zit.”

“Ook bij veel andere oudjes in het dorp zie ik zelden auto’s van bezoekers voor de deur staan. Ze moeten meer en meer een beroep doen op vrijwilligers om hun boodschappen te doen”

Ik zwijg verbaasd. Toen we twintig jaar geleden naar hier kwamen, hadden we een heel romantisch beeld van het Zuid-Franse platteland, met grote families die op zondag aan een lange tafel in de schaduw van platanen zaten. Maar nu, na zoveel jaren, moet ik toegeven dat dat een beeld is dat vooral uit films en romans komt. De realiteit heeft ook het leven hier ingehaald.

Veel jonge mensen trekken naar de grote steden, liefst zo noordelijk mogelijk. Enkel tijdens vakanties zie je ze nog terug in het dorp. Van Aimé en Marceline weet ik dat ze nooit kinderen hebben gehad, dat Aimé zijn twee broers verloor in de Algerijnse oorlog en dat Marceline ook enig kind was. Maar ook bij veel andere oudjes in het dorp zie ik zelden auto’s van bezoekers voor de deur staan. Ze moeten meer en meer een beroep doen op vrijwilligers om boodschappen te gaan doen, en het gemeentebestuur voorziet zelfs wekelijks een gratis busje naar de markt in Uzès.

Marceline doet álles in het huishouden, Aimé kent alleen zijn tuin. Ik ben er zeker van dat hij het nooit in zijn eentje redt, mocht hij alleen achterblijven.

“En in een home ga ik dood, ze kunnen me net zo goed ter plekke doodschieten”, zegt Aimé plots, alsof hij mijn gedachten kan lezen.

“Kom, zo erg is het nu ook weer niet”, zeg ik zonder veel overtuiging.

“Niks van, ik zou mijn tuin te hard missen, en de hond.”

“Hebben jullie een hond?”, vraag ik verrast.

Aimé haalt zijn schouders op. “Ik bedoel natuurlijk Bébé, die komt elke dag een uurtje bij mij zitten.”

Ik glimlach bij de gedachte dat Bébé niet alleen ons stalkt, maar ook andere mensen in het dorp op zijn agenda heeft staan. Ik vraag me af of de gemeente, die van plan is om loslopende honden in het dorp te verbieden, wel stilstaat bij de mantelzorgfunctie die Bébé vervult.

Uzès telt, hoewel het maar een kleine stad is, toch makkelijk zes grote bejaardeninstellingen. In mijn hoofd waren die vooral bestemd voor stedelingen die hun oude dag in een mild klimaat wilden slijten; ik heb er nooit bij stilgestaan dat ook mensen als Aimé er kunnen terechtkomen.

“En, trouwens, ik zou nooit kunnen aarden in zo’n terreurregime met oppassers. Aimé trekt een grimas alsof hij het over een concentratiekamp heeft.

Ik wil opnieuw iets sussends zeggen, maar ik durf niet.

Plots begint Aimés gsm luid te rinkelen. De oude man kan niet snel genoeg opnemen. Zijn gezicht klaart op en dertig seconden later drukt hij glunderend af. “Marceline mag naar huis komen…”

Opnieuw verschijnt er een traan in zijn ooghoek, en dit keer laat hij die gewoon de vrije loop.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content