Comme chez Koen: “Herrie in ons anders zo stille dorpje! En de oorsprong van heel de heisa ben ikzelf…”

Comme chez Koen: "Herrie in ons anders zo stille dorpje! En de oorsprong van heel de heisa ben ikzelf..."

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Herrie in ons anders zo stille dorpje! En wat erger is: de oorsprong van heel de heisa ben ikzelf. Daarenboven berust alles op een misverstand, maar ik heb de grootste moeite om mijn dorpsgenoten daarvan te overtuigen.

Het zit namelijk zo: het huis waarin wij wonen was in lang vervlogen tijden een geitenboerderij en zoals bijna elke bergerie is ook de onze aan de achterkant in de steile helling gebouwd. Dat maakt dat we aan de noordzijde van ons huis maar een klein stukje vlak terras hebben, terwijl die frisse schaduwkant in de hete zomer net het ideale toevluchtsoord is.

Ilse en ik wilden dat terras aan de noordkant al heel lang groter maken, maar daarvoor diende er dus een stuk van de helling te worden afgevlakt, en dat moest met de hand gebeuren, want de plek is ontoegankelijk voor een graafmachine. Aangezien de ondergrond bij ons voornamelijk uit rots bestaat, kochten we dus een gigantische elektrische breekhamer, van het type waarmee je wegwerkers wel eens de rijbaan ziet open ratelen. Aangezien de stukken rots in onze tuin zo hard zijn als graniet wisten we op voorhand dat ons projectje enkele maanden in beslag zou nemen, temeer daar ik er maar een uurtje of twee per dag aan zou kunnen werken, omdat ik druk bezig ben met mijn nieuwe roman.

Ilse, die van geen kleintje vervaard is en vroeger ook in de wijngaard al haar mannetje stond, zou het puin dat ik met de breekhamer maakte verwijderen en de losse grond tussen de rotsblokken weghalen. Maar al heel gauw zag ik haar begerig naar de breekhamer lonken, hoewel het ding nauwelijks minder weegt dan zijzelf. Dus duurde het niet lang voor ze voorstelde om, terwijl ik schreef, zelf ook al wat met de breekhamer te werken. Aangezien ik wist dat het geen zin had om haar dat karwei af te raden, legde ik uit hoe zo’n breekhamer werkt en waar je de stukken rots precies moest raken. Waarop haar gevecht met de rots begon en ik elke namiddag opnieuw met trotse vreugde kon vaststellen dat er weer wat minder werk op mij lag te wachten.

Maar de natuur wreekt zich altijd, en dus ook nu: na een tijdje kreeg Ilse pijn in haar rechterschouder en voor we er erg in hadden, werd de pijn ondraaglijk en zat haar schouder muurvast. De reumatologe was kort en duidelijk: “U heeft een frozen shoulder overgehouden aan uw strapatsen, en reken maar op minimum een halfjaar tot een jaar voor die schouder weer genezen is.” Sindsdien loopt Ilse dus zoveel mogelijk met haar arm in een mitella en vorige week werd ze op straat tegengehouden door Marceline, een oud vrouwtje dat behalve om haar enorme vriendelijkheid ook wel een beetje als de gazet van het dorp bekend staat. Marceline bleek Ilse al een paar keer met dat draagverband gezien te hebben en wilde nu weten waarom een jong veulen als zij met haar arm in een vod liep.

“Marceline, een oud vrouwtje uit ons dorp, was er niet goed van: waarom liet ik mijn vrouw in godsnaam met een breekhamer aan de slag gaan?”

En terwijl Ilse haar de oorsprong van haar malheur vertelde, liep mijn imago dus zware averij op. Want hoewel Marceline medelijden had met mijn lieve echtgenote, en haar ook veel beterschap wenste, bleef bij haar toch vooral hangen dat Ilse opgezadeld zat met een luie echtgenoot die zijn vrouw voor hem het mannenwerk liet doen. En dat mocht in België misschien tot de geplogenheden behoren, maar hier, in haar Frankrijk, zeker niet! Een paar uur later stond haar man Aimé met drie kroppen sla uit zijn tuin voor onze deur. En samen met de sla gaf hij me ook een voorzichtige bolwassing. Ik mocht zoiets toch beslist niet meer laten gebeuren, want zijn vrouw was er echt niet goed van.

Als ik het druk heb met schrijven, ga ik minstens een keer per dag de benen strekken, en die wandeling voert me willens nillens door het dorp en aan het huisje van Marceline en Aimé voorbij. Wanneer ik er nu langs loop, hoop ik vanzelfsprekend dat Marceline niet zoals zo vaak op het bankje naast de voordeur zit. De afgelopen dagen had ik geluk, want er was wat bewolking en dan zet het oude paar geen voet buiten de deur, al is het ’s morgens al vijfentwintig graden. Maar vandaag staat de zon hoog aan de hemel en is mijn geluk op: Marceline is op post en haar al even praatgrage buurvrouw zit naast haar. Al van ver zie ik dat ze mij in het vizier heeft en wanneer ik voorbijloop en ik het duo vriendelijk een fijne dag wens, klinkt het ironisch: “Aha, le belge, alles in orde? Niet te moe? En hoe gaat het nog met mevrouw?”

“Goed” zeg ik, “het gaat langzaam beter met haar schouder. Als alles verder in positieve zin evolueert, kan zij binnenkort weer met de breekhamer aan de slag.” Achter de haag staat Aimé abrikozen uit een boom te trekken. Hij kijkt me hoofdschuddend aan en rolt met zijn ogen.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)