Getty Images

Het verlossende telefoontje: bij deze lezeressen luidde het een prachtig nieuw hoofdstuk in

Kletsen aan de telefoon lijkt misschien iets heel banaals, maar die ene belangrijke oproep kan zoveel teweegbrengen! Lezeressen Sophie, Steph en Yente kunnen ervan meespreken: na een verlossend telefoontje konden ze eindelijk een donkere periode afsluiten en beginnen aan een splinternieuw hoofdstuk. 

En dan rinkelt plots de telefoon…

Net toen ze het bijna wilde opgeven, kreeg Sophie alsnog te horen dat ze zwanger was

“De stem aan de andere kant zei: ‘je bent zwanger!’ vier jaar hadden we geprobeerd. Ik huilde en riep: ‘halleluja, het is ons gelukt!’ ”

Sophie (33): “ ‘Hallo, wij kunnen jullie het goede nieuwsbrengen dat jullie zwanger zijn en dat de HCG-waarde deze keer maar liefst… 499 is!’ Vier lange jaren heb ik moeten wachten op het telefoontje waarop ik al zo lang zat te hopen. Toen het uiteindelijk kwam, stroomden de tranen over mijn wangen. Deze keer waren het eindelijk tranen van vreugde, en niet langer van verdriet…”

Mijn man Laurent en ik waren vier jaar samen toen we besloten dat het tijd werd voor een kindje. Maar toen ik stopte met de pil, bleef mijn menstruatie koppig uit. Na een halfjaar verloor ik nog steeds geen druppeltje bloed, dus besloot ik naar een gynaecoloog te gaan. Het verdict was dat ik gewoon geen eisprong had. Hoe dat kwam, kon de dokter me niet precies vertellen.

Hij schreef me wel een pilletje voor om mijn eisprong op te wekken, maar na een jaar proberen, leverde dat nog altijd niets op. Laurent en ik werden doorverwezen naar een vruchtbaarheidskliniek, maar ook daar vonden ze geen verklaring voor mijn probleem. Zelf begon ik stilaan ongerust te worden, maar in de kliniek wuifden ze onze bezorgdheid weg: ‘Jullie zijn nog zo jong, jullie raken wel zwanger.’

Wisten wij veel dat de mallemolen van behandelingen toen nog maar moest beginnen. Inseminatie, ivf… we hebben het allemaal geprobeerd. Elke maand hoopten we dat het deze keer wél zou lukken en elke maand weer was er die teleurstelling, die wanhoop die bij elke mislukte poging iets groter werd. Het is een cliché, maar zo’n vruchtbaarheidsbehandeling beheerst echt je leven. Vooral mentaal was die tijd zo zwaar. Door al die spuitjes kreeg mijn lichaam symptomen die bij een zwangerschap horen. Gek werd ik daarvan, ik kon niet anders dan stiekem hopen. Het hielp ook niet dat andere bevriende koppels wel moeiteloos zwanger werden. Als er weer eens heuglijk babynieuws in onze omgeving was, probeerde ik blij te zijn. Maar diep vanbinnen stak dat enorm.

De eerste jaren hielden Laurent en ik onze vruchtbaarheidsproblemen geheim voor de buitenwereld. Maar toen de goedbedoelde vragen – ‘Wanneer beginnen jullie eraan?’ – maar bleven komen, hebben we open kaart gespeeld. Dat we zo graag wilden, maar dat het gewoon niet lukte. Intussen waren we vier jaar verder en nog altijd was onze kinderwens niet vervuld. Op oudjaar gaf ik ons nog één jaar om zwanger te worden en anders zouden we er gewoon mee stoppen. Ik kon die teleurstelling, elke keer opnieuw, gewoon niet meer aan.

Met de moed der wanhoop besloten we een laatste optie te bekijken, die van ivm of ‘in vitro maturatie’, een nog iets andere techniek dan ivf. Via ivm raakte ik, wonder boven wonder, in verwachting. Maar de blijdschap was van korte duur. Een paar dagen na het heuglijke nieuws kreeg ik al een miskraam. Ik was me bewust van dat risico: volgens de artsen was er maar heel weinig zwangerschapshormoon in mijn bloed. Toch kwam het vroege verlies van ons kindje als een zware klap, de zoveelste op rij. Ik voelde me leeg, doodop, moegestreden.

Maar Laurent bleef maar zeggen dat we de moed erin moesten houden, dat we nu niet mochten opgeven. Een paar weken na onze tweede poging zaten we allebei nagelbijtend aan de telefoon te wachten. De kliniek had ons verzekerd dat ze ons nog die vrijdag zouden bellen met nieuws. De uren verstreken, maar het bleef oorverdovend stil. Tot, uiteindelijk, om precies 22.16 uur de rust in huis ruw werd doorbroken door de gsm van mijn man. Ik herinner me nog exact wat de stem aan de andere kant zei: ‘Sorry voor het late telefoontje, maar we zijn hier aan het verbouwen en ik vond eerder geen tijd… Ik schrik er zelf een beetje van, maar u bent zwanger en uw HCG-waarden zijn 499!’
Laurent en ik konden onze oren niet geloven. Zo hoog!

Voor ik het wist stroomden de tranen van geluk over mijn wangen: ‘Halleluja, het is ons eindelijk gelukt!’ Van slapen is die nacht niet veel in huis gekomen, zo opgewonden waren we allebei over het goede nieuws. Al bleef ik voorzichtig. We hadden zo vaak pech gehad, waarom zou het deze keer niet opnieuw fout gaan?

Dat gevoel bleek – gelukkig – onterecht, want intussen zijn Laurent en ik al vijf jaar de trotse ouders van een prachtige dochter, Astrid. Ooit wil ik haar vertellen over de moeilijke weg tot aan haar geboorte. Om haar te tonen hoe haar mama en papa naar haar verlangden, en hoe gewenst ze was.”

Na 17 jaar zoeken kreeg Steph eindelijk het nieuws dat ze haar donorvader hadden gevonden

“Op de grote dag stond ik stijf van de stress: had ik me vergist of was die Marc écht mijn vader?”

Steph (42): “ ‘Dag Stephanie, we kunnen je met 99,98% zekerheid zeggen dat Marc Folens jouw vader is.’ Met dat telefoontje hoorde ik dat ik eindelijk mijn biologische vader had gevonden. Het einde van een zoektocht die meer dan 17 jaar van mijn leven in beslag had genomen.

Ik ben een donorkind, maar dat heb ik pas op mijn 25ste ontdekt. Mijn ouders konden niet (of dat dachten ze toch) zwanger worden en hebben toen een beroep gedaan op een behandeling met anoniem zaad. Kort nadat ik dat aardverschuivende nieuws vernam, werd ik mama van een zoon. Toen ik hem voor het eerst in mijn armen had, besefte ik pas hoe groot de impact van zo’n genetische band is. Mijn zoon leek erg op mij, hij is als een levende spiegel… Een heerlijk gevoel, maar het drukte me ook keihard met de neus op de feiten: wie was míjn achteruitkijkspiegel, mijn ‘echte’ vader? Die vraag werd het startschot van een verbeten, jarenlange zoektocht.

Ik was vastbesloten om mijn biologische vader op te sporen. Via MyHeritage, een soort genealogische Facebook met DNA-profielen, stelde ik een reusachtige stamboom op, met meer dan 4000 namen. Ergens tussen die duizenden namen zat mijn vader, maar waar? Mijn onderzoek sleepte jarenlang aan, tot een Amerikaanse jongen vorig jaar plots voor een doorbraak zorgde. Dankzij de informatie die hij had ingevoerd, kon ik het aantal kandidaten terugbrengen tot een handvol! Ik voelde de haartjes op mijn armen omhoog komen: na al die jaren was ik opeens héél dicht bij het antwoord op die ene fundamentele vraag.

Na een laatste eliminatie bleef er één naam over, Marc Folens. Ik haastte mezelf om zijn naam in te geven op Facebook. Ik was vooral geïnteresseerd in zijn geboortedatum: hoe jonger hij was, hoe groter de kans dat hij nog leefde en ik contact met hem zou kunnen opnemen. Volgens Facebook was hij geboren in 1958. Ik sprong net geen gat in de lucht. Dat moest lukken! Ik besloot hem zo snel mogelijk een berichtje te sturen, maar antwoord kreeg ik niet.

Ik wilde niet opgeven, was nu zo dichtbij, dus nam ik contact op met iemand die een berichtje op zijn Facebookpagina had achtergelaten. Groot was de schok toen hij me vertelde: ‘Marc? Die is helaas drie jaar geleden overleden.’ Mijn euforie sloeg in een klap om in diep verdriet. Honderd keer had ik mezelf voorgesteld hoe het zou zijn om mijn biologische vader terug te vinden. Hoe zou ik contact met hem zoeken? Wat zou ik tegen hem zeggen? Nooit had ik er rekening mee gehouden dat ik daarvoor misschien te laat zou komen.

Het nieuws van Marcs overlijden maakte me nog meer vastberaden om uit te zoeken of hij effectief mijn biologische vader was. Daarvoor had ik een DNA-test nodig van zijn zus, die wel nog in leven was. De week van de uitslag heb ik bewust verlof genomen, omdat ik voorvoelde dat het weleens heavy kon worden. De nachten voor het doorslaggevende telefoontje zou komen, sliep ik superslecht. Ik had het gevoel dat ik naar een mondeling examen moest, waarvan ik op voorhand wist dat ik ging buizen. Zou mijn jarenlange zoektocht eindelijk iets opleveren? Of had ik me, voor de zoveelste keer, vergist?

Op De Grote Dag stond ik stijf van de stress. Om half één ’s middags zouden ze me bellen. Ik telde elke minuut af, maar tegelijk was ik ook doodsbang. Als Marc Folens echt mijn vader was, kon er eindelijk een einde komen aan mijn zoektocht. Maar: dan moest ik ook aanvaarden dat ik mijn vader nooit echt zou leren kennen.

De telefoon ging, ik nam met bevende handen op: ‘Dag Stephanie, we kunnen je met 99,98% zekerheid meedelen dat Marc Folens jouw vader is.’ Bijna meteen stroomden de tranen over mijn wangen. Plots viel het gewicht van mijn zoektocht als een blok van me af. Zeventien lange jaren waarin ik op zoveel deuren had geklopt en tegen torenhoge muren was aangebotst. Het heeft me haast twee decennia bloed, zweet en tranen gekost.

“Mijn euforie maakte plaats voor diep verdriet toen bleek dat mijn biologische vader niet meer leefde”

Mijn teleurstelling was immens. Al die tijd was ik ervan overtuigd dat hoe moeilijk de weg ook zou zijn, ik aan het einde van de rit datgene vond wat ik mezelf zo gunde: contact met mijn echte vader. Het idee dat dat niet meer kon, maakte me heel droevig. Tegelijk voelde ik ook boosheid, tegenover al die mensen die mijn zoektocht vertraagd hadden of tegenwerkten. Gewoon, omdat ze vonden dat ik als donorkind het recht niet had om mijn echte vader te kennen. Door hen verloor ik zoveel tijd, tijd die ik wél nog nog met Marc had kunnen doorbrengen.

Later hoorde ik dat hij gestorven was aan een agressieve kanker en dat hij nog drie weken in het ziekenhuis had gelegen voor zijn dood. Wat had ik die tijd graag aan zijn zijde doorgebracht, denk ik nu vaak. Want voor mij was Marc meer, veel meer, dan zomaar iemand die sperma had gedoneerd. Hij was mijn biologische vader.

Hoe hard het nieuws van zijn dood ook aankwam, ik bleef niet bij de pakken zitten. Intussen is mijn vraag niet meer ‘Ben jij misschien mijn vader?’ maar ‘Wat weet jij over mijn vader?’ Ik probeer nu zoveel mogelijk informatie over hem te verzamelen. Zo heb ik via vrienden en familie van hem al foto’s gekregen. En jawel, ik herken mezelf in zijn gezicht! Mijn lippen heb ik duidelijk van hem. Voor de rest wil ik vooral de kleine, schijnbaar onbeduidende dingen over hem te weten komen: wat at hij graag? Naar welke muziek luisterde hij? Droeg hij ook altijd een gemixt paar sokken, zoals ik? (lacht) Al die kleine gewoontes die een mens maken tot wie hij is.

En vooral: me spiegelen, vergelijken en onderscheiden… Ik heb de voorbije weken ook al contact gezocht met mensen die Marc kenden: zijn beste vriendin, een ex-lief, verre familieleden… Tot nu toe hebben al die mensen me met open armen ontvangen. Van een van zijn nichten kreeg ik zelfs een kerstkaart. Voor mij voelde dat onbeschrijfelijk. Nu merk ik dat een bloedband ook deuren kan openen, in plaats van altijd maar weer sluiten. Dat gebeurt helaas veel vaker als je een donorkind bent.

Op een manier heeft dat telefoontje me ook wel rust geschonken. Zeventien jaar lang heb ik elke man die ouder dan vijftig was en mijn pad kruiste, aangestaard: ben jij misschien mijn vader? Want in principe kon het iedereen zijn. Die zoekradar, die letterlijk dag en nacht aanstond, is nu eindelijk uitgeschakeld. Ik hoop nu vooral nog troost te vinden in de kruimels van Marcs bestaan die me nog resten. Al zal dat scherpe randje blijven: gemis om wat er niet is en nooit kan zijn, omdat anderen er zo over beslisten…”

Yenthe zat 48 uur aan haar telefoon gekluisterd na haar sollicitatie

“Na een moeilijk jaar, waarin ik worstelde met een burn-out, was dit bericht voor mij een nieuw begin”

Yenthe (29): “ ‘Dag Yenthe, ik bel je over je sollicitatie. Wij vonden het alvast een aangenaam gesprek. Als jij het nog ziet zitten, zouden we je graag een job aanbieden.’
Met die woorden kwam er een einde aan wat waarschijnlijk het moeilijkste jaar uit mijn leven was.

En dan te denken dat ik die burn-out, een goed jaar eerder, totaal niet had zien aankomen. Oké, ik voelde me niet écht gelukkig in mijn eerste job, maar ik dacht toen nog, in al mijn naïviteit, dat het werkleven misschien gewoon niet zo leuk was. Tot mijn lichaam op een dag stopte met functioneren. Ik weet het nog goed: ik wilde ’s ochtends opstaan, maar mijn benen weigerden dienst. Alles deed pijn, alsof mijn spieren totaal verkrampt waren. Eerst dacht ik dat ik griep had, maar dat was het niet volgens mijn huisarts.

Toen ze vroeg ‘hoe het op mijn werk was’, begon ik plots onbedaarlijk te huilen. Als ik eerlijk was, ging het daar al even slecht. Héél slecht. Ik werkte in een bedrijf waar de verkoopcijfers heel belangrijk waren, onder een baas die me dat elke dag keihard inpeperde…. Die druk was me blijkbaar te veel geworden. Op aanraden van de dokter ging ik een paar maanden in rustmodus en begon ik daarna aan een loopbaanbegeleidingstraject, om te ontdekken welke job ik echt graag zou doen. Tijdens die gesprekken kwam ik uit bij mijn eerste opleiding: leerkracht lager onderwijs. ‘Zo’n job in het onderwijs zou echt iets voor jou zijn’, verzekerde mijn begeleidster me.

Ik besloot het erop te wagen en sloeg aan het solliciteren. Bij één school mocht ik meteen op gesprek komen. Ik was bloednerveus, maar eigenlijk werd het een heel warm gesprek. Ik wandelde nog net niet op wolkjes buiten. Wat hoopte ik dat ik daar aan de slag kon! De school zou me ten laatste twee dagen later bellen als ze een job voor me hadden.

De volgende 48 uur zat ik aan mijn gsm gekluisterd. Maar de twee dagen verstreken en er kwam geen telefoontje. Tot we een week later met de hele familie aan het barbecueën waren. Ik had al een paar glazen wijn op, toen rond negen uur mijn telefoon ging. ‘Dag Yenthe, ik bel je over je sollicitatie.’ In één klap was ik weer nuchter, terwijl ik ademloos bleef luisteren. ‘Als jij het ziet zitten, zouden we je graag een job aanbieden.’ Ik wist niet wat ik hoorde, kon alleen maar stamelen dat ik dat natuurlijk wilde.

Na dat telefoontje ben ik naar mijn ouders gehold: ‘Vul de glazen maar bij, want ik heb iets te vieren. Ik heb een job!’ De opluchting in hun ogen trof me harder dan ik had gedacht. Na mijn burn-out was ik bij hen gaan wonen. Dat ik nu weer rechtkrabbelde, maakte hen duidelijk héél blij.

Voor anderen betekent het misschien niet veel, zo’n telefoontje dat je de job hebt. Maar ik kan me nog altijd levendig herinneren hoe ik mij voelde en wat dat telefoontje, toen al, voor me betekende. Na een moeilijk jaar, waarin ik me zo alleen en onzeker had gevoeld en zo vaak had gedacht dat ik nooit op mijn pootjes terecht zou komen, was het voor mij echt een kans op een nieuw begin.

Dat gevoel bleek helemaal juist, want ik kan me intussen geen betere job meer inbeelden. Voor de eerste keer in mijn leven zeggen collega’s me dat ze me zo ‘sociaal en goedlachs’ vinden, terwijl ik op mijn vorige werk net als extreem verlegen bekend stond. Nu weet ik dat ik me daar gewoon niet goed in mijn vel voelde. Op mijn nieuwe werk kan ik wél volledig mezelf zijn. Dat gevoel is onbetaalbaar, weet ik nu.”

Uit: Libelle 07/2021 – Tekst: Margot Kennis

Meer pakkende verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content