Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Mijn verhaal: Alice ging opnieuw studeren en schopte het van poetsvrouw tot eremagistraat

Op haar veertigste besloot Alice, die haar middelbare school in haar jeugd niet had afgemaakt, de stap te zetten naar het tweedekansonderwijs. Ondertussen heeft ze de titel van eremagistraat op zak.

Alice (66): “Dat ik maar tot mijn zestiende naar school ben geweest, was in mijn ogen logisch – toen toch. In de lagere school werd het al snel duidelijk dat ik nooit de primus van de klas ging zijn en toen ik in het eerste middelbaar al meteen buisde op Frans, wilde mama dat ik naar het beroepsonderwijs ging. Ik ben altijd graag naar school gegaan, maar het studeren lukte gewoon niet.

Ik had het gevoel dat ik te dom was, en dat ik mijn tijd beter kon spenderen. Mijn ouders hadden het helemaal niet breed, en ik wilde hen zo graag wat ontzorgen. Dus besliste ik op mijn zestiende om te gaan werken. De eerste jaren als verkoopster en later als poetshulp bij het OCMW in Schoten.

“Ik was dan toch niet de dommerik die ik altijd dacht te zijn. Het tweedekansonderwijs was een echte openbaring”

Ik was net geen veertig toen ik in de stad een affiche zag hangen over het tweedekansonderwijs. Ik wist meteen: dát wil ik doen. Na achttien jaar opnieuw naar de schoolbanken om alsnog mijn diploma te halen. Niet omdat ik me ervoor schaamde dat ik een poetsvrouw was, maar vooral om wat meer algemene kennis op te doen. Want hoe je het draait of keert: als je geen diploma hebt, neemt niemand je serieus. Als ik iets niet begreep, deed niemand de moeite om het me uit te leggen want ‘ik zou het toch nooit snappen’ of ‘daar was ik te dom voor’. Dat maakte me zó onzeker.

Maar het tweedekansonderwijs was voor mij een echte openbaring. Toen ik hoorde dat ik meteen in de tweede graad mocht beginnen, besefte ik dat ik toch niet die dommerik was die ik altijd dacht te zijn – ik had vroeger de eerste graad niet eens afgemaakt. Dat gaf me weer hoop. Wat mij vooral is bijgebleven, is dat het tweedekansonderwijs in niets leek op de ‘gewone’ scholen. Omdat we examens moesten afleggen voor een onafhankelijke middenjury, moesten de leraars geen waardeoordeel over ons vellen en waren ze meer vrienden dan leerkrachten. Ze gingen zelfs mee naar de examencommissie in Brussel.

Na vier jaar had ik eindelijk dat diploma op zak. Eens ik afgestudeerd was, had ik het gevoel dat er nog meer in mij zat. Een universitair diploma misschien? Evident ging het alleszins niet zijn, met een achttienjarige dochter in huis die op kot ging. Twee studenten en maar één kostwinner… Maar mijn man twijfelde geen seconde. ‘Doe het, je kunt het!’ Niet veel later was ik officieel ingeschreven aan de VUB in Brussel, als student Criminologie. En mijn dochter? Die ging naar Gent, ver weg van haar moeder. (lacht)

Het tweedekansonderwijs was lastig omdat ik gewoon niet wist hoe ik moest studeren. Maar de universiteit, dat was nog tien keer zwaarder. Ik herinner me nog goed dat ik aan het begin van het schooljaar een stapel boeken kreeg en dacht: moet ik dat állemaal tegen juni kennen? Ik had er een erezaak van gemaakt om elk jaar met onderscheiding te slagen, dus sloot ik me telkens van Pasen tot eind juni op om al die leerstof in mijn hoofd te krijgen. Het was soms heel frustrerend om te zien hoe vlot het mijn medestudenten verging, en te beseffen dat mijn geheugen er met de jaren zeker niet op vooruit was gegaan.

“Ik heb weleens staan dansen op een fuif, om dan bij een medestudent op kot te blijven slapen”

Ik voelde me wel heel goed in de groep. Ik was de enige veertiger tussen een twintigtal jonge studenten. ‘De mama’, zo noemden ze mij. Niet helemaal onterecht, aangezien ik altijd goed wist waar we les hadden en wanneer we een deadline hadden. Het was een mooie wisselwerking: ik moederde, zij namen me op sleeptouw in het échte studentenleven. Ik heb weleens staan dansen op een fuif, om dan bij een medestudent op kot te blijven slapen.

In juni 2000 studeerde ik, samen met mijn dochter, af. Zij als psychologisch assistent, ik als criminoloog. Na mijn studies ging ik meteen weer poetsen bij het OCMW, want mijn man had er al lang genoeg alleen voor gestaan. Tot ik na enkele maanden de vraag kreeg of ik niet in het justitiehuis in Antwerpen wilde beginnen, waar ik in mijn laatste jaar stage had gelopen. Uiteindelijk ben ik daar zestien jaar gebleven als justitie-assistent. Intussen bleef ik wel meedoen aan examens en slaagde ik als assessor voor de strafuitvoeringsrechtbank; opvolger van mensen die voorwaardelijk vrij zijn, zeg maar. Zo bracht ik de laatste vier jaar van mijn carrière door op het justitiepaleis.

Het was haast niet te geloven dat ik tien jaar eerder nog aan het poetsen was. Vorig jaar ging ik op pensioen en werd ik door de voorzitter voorgedragen als eremagistraat. Het kwam heel onverwachts want ik was tenslotte geen rechter, maar het was absoluut een mooie erkenning.

Of ik spijt heb dat ik als tiener te vroeg van school ben gegaan? Nee. Het heeft me gemaakt tot wie ik vandaag ben, en daar ben ik trots op. Ik geloof ook echt dat alles wat ik heb meegemaakt, van mij een betere assessor heeft gemaakt. Het poetsen, het tweedekansonderwijs, de armoede… Een tijdje terug hoorde ik van een collega dat mijn levenservaring gemist wordt, en dat is een nog mooier compliment dan de titel van eremagistraat.”

Tekst: Carine Stevens

Meer openhartige verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content