Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Mijn verhaal: Evy kampt al haar hele leven met een atypische eetstoornis

Door Diny Thomas

Al meer dan 20 jaar kan Evy sommige dingen niet eten. Pas recent kreeg ze een diagnose: ARFID, een aandoening waarbij je voedsel met een bepaalde kleur, smaak of textuur mijdt. Dit is haar verhaal.

Evy (29): “Als het gaat over eetstoornissen denkt iedereen onmiddellijk aan anorexia of boulimie. Maar mijn strijd gaat niet over niet wíllen eten, maar niet kúnnen eten… Als baby was ik al een moeilijke eter. Gaf mama me fruitpap, dan kwam het er meteen weer uit. Volgens de artsen was het reflux. ‘Niets om je zorgen over te maken’, zegden ze. Maar wat mijn ouders ook probeerden, ik hield niets binnen. De gevolgen waren dramatisch: ik zat ver onder mijn gewicht, mijn zicht ging achteruit en ik kreeg platvoeten.

Ik was zeven toen de artsen beslisten om me te laten opnemen in de eetkliniek. Daar werd een kijkoperatie gedaan om te checken of er iets mis was met mijn maag of mijn keel, maar er werd niets gevonden. Was het dan psychologisch? Sommige dingen, zoals brood, rijst met currysaus en pasta met kaassaus hield ik wél binnen. Maar een oplossing had de psycholoog niet.

Onrechtstreeks werd de schuld vooral bij mijn ouders gelegd. Alsof zij een kieskeurige eter hadden grootgebracht. Maar mama en papa hebben alles gedaan wat ze konden. Soms lieten ze me uren aan tafel zitten, tot alles op was. Of ze stuurden me vroeg naar bed als mijn bord niet leeg was. Om mijn straf te ontlopen en uit angst dat ik moest overgeven, verstopte ik mijn eten in mijn sokken of gaf ik het stiekem aan de hond. Dan sta je als ouder machteloos.

“Die opname in de eetkliniek waren de drie moeilijkste maanden van mijn leven. Ik werd zo onder druk gezet”

Tot mijn drieëntwintigste zag ik tientallen therapeuten, zonder succes. Uiteindelijk kwam ik terecht bij een psycholoog die onderzoek deed naar eetstoornissen en trauma’s. Zijn verdict: een atypische stoornis. In vele opzichten lijkt het op anorexia of boulimie, met één duidelijk verschil: dat ik wél wilde eten, maar dat het me gewoon fysiek niet lukte. Dat ik een angst had ontwikkeld voor bepaalde geuren, smaken en texturen. Vandaar dat ik bijvoorbeeld wél frieten lustte, maar geen puree.

Opnieuw volgde een opname in de eetkliniek. Dat werden de drie moeilijkste maanden van mijn leven. Bij elke maaltijd werd ik zwaar onder druk gezet. Omdat ik mezelf wilde bewijzen, propte ik alles wat op mijn bord lag zo snel mogelijk naar binnen. Maar nadien kwam alles er gewoon weer uit. En hoe meer ik me onder druk gezet voelde, hoe slechter ik ging eten. De regel was: als je na enkele weken je bord kon leegeten, mocht je naar de volgende tafel, waar je meer tijd kreeg en zelf mocht kiezen wat je at. Ik zag iedereen opschuiven, terwijl ik achterbleef.

Na anderhalve maand werd de continue stress me te veel. Ik had hartkloppingen, hyperventileerde, sliep niet meer en ik bleef maar overgeven. Uiteindelijk moesten de dokters en verpleegkundigen wel toegeven dat ze niet wisten hoe ze dit moesten aanpakken. Accepteren dat eten voor de rest van mijn leven een strijd zou blijven, was misschien wel het beste medicijn.

Na die laatste opname wilde ik me focussen op het plezier en het geluk in mijn leven. De komst van onze hond, de vooruitzichten van een eigen stek en het huwelijksaanzoek van mijn vriend, maakten dat wat makkelijker. Als ik íéts geleerd heb, dan is het dat je lichtpunten nodig hebt om gelukkig te zijn. En dat praten helpt. Sinds ik durf te vertellen over mijn eetstoornis, merk ik dat mensen meer begrip tonen. Dat heeft veel rust gebracht in mijn leven.

Net toen ik had losgelaten om tegen mijn eetprobleem te vechten, kwam er hulp uit onverwachte hoek. Tijdens een aflevering van ‘Bizarre eters’, herkende ik mezelf volledig in een van de verhalen. De paniek en de angst om weer te moeten overgeven als je aan tafel zit. De isolatie, omdat je een verjaardagsfeest of zomerbarbecue niet wilt verpesten. Die atypische stoornis waarover de dokter eerder sprak, kreeg een naam: ARFID, waarbij je voedsel met een specifieke kleur, smaak of textuur mijdt.

“Vorig jaar kreeg ik eindelijk een officiële diagnose. Tranen van geluk rolden over mijn wangen”

Een gerichte behandeling in ons land is er niet, maar in Nederland blijkbaar wel. Dus klopte ik aan bij een eetkliniek in Maastricht, waar ik vorig jaar in januari officieel de diagnose kreeg. Tranen van geluk rolden over mijn wangen. Eindelijk voelde ik me begrepen, en eindelijk zou niemand meer denken dat ik een moeilijke eter was, of anorexia had. Na de diagnose startte ik meteen met de therapie. Terwijl ik vroeger behandeld werd als een anorexiapatiënt en gestraft werd als ik niet genoeg at, of verplicht werd om dingen te eten waarvan ik moest overgeven, moet ik nu vooral eten wat ik wél lust. Dat moet me helpen om de negatieve herinneringen aan tafel achter me te laten en nieuwe, positieve herinneringen te koppelen aan eten.

Elke sessie probéér ik wel iets te eten wat moeilijker gaat. Exposuretherapie, noemt men dat. Dat ik drie kilo in slechts twee maanden tijd aankwam, is het bewijs dat deze behandeling wél werkt. Of ik ooit zonder problemen oesters zal kunnen eten, is moeilijk te zeggen. ARFID is te genezen, maar niet voor iedereen. De dokters zeiden dat ik mijn leven lang gevoeliger zal zijn voor smaken en texturen, en dat is oké. Ik ben al lang blij als ik op een normaal gewicht kan komen. En nu ben ik eindelijk op de goede weg.”

Uit: Libelle 52/2021 – Tekst: Diny Thomas

Meer openhartige verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content