Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Openhartig: 25 jaar na de ontvoering van An en Eefje doet vriendin Recha haar verhaal

Door De Redactie

Op 22 augustus is het 25 jaar geleden dat ons land stilstond. Twee jonge meisjes, An en Eefje, keerden niet meer terug van een weekje vakantie met vrienden. Vriendin Recha vertelt hoe ze de verdwijning en de onzekerheid daarna heeft beleefd. En hoe het haar leven nog altijd beïnvloedt.

Gitzwarte bladzijde

Ze vertrokken met zoveel goesting naar zee, onbezorgd en uitbundig, het groepje vrienden van toneelkring Harlekijn uit Hasselt. Het was augustus 1995 en voor sommigen van hen was het hun eerste trip zonder ouders. Hoe drastisch hun leven vanaf dan zou veranderen, hadden ze zich in de verste verte niet kunnen voorstellen. In één klap werd al die onbezorgdheid uit hun leven geveegd en moesten ze tegen wil en dank meeschrijven aan een gitzwarte bladzijde uit de Belgische geschiedenis.

De vriendengroep van toen bestaat niet meer. Enkelen zijn uitgeweken naar het buitenland. Sommigen hebben nog onderling contact. Als we polsen of ze hun verhaal willen doen, houden de meesten de boot af. Omdat in die herinneringen duiken te zwaar zou zijn. Of omdat ze tot op vandaag worstelen met hechtingsproblemen die voortvloeiden uit het verlies. Problemen die misschien vermeden hadden kunnen worden als er toen naar hen was geluisterd.

Eén van de vriendinnen, Recha, wil na enige aarzeling haar verhaal toch doen. “Ik vrees dat de generatie van mijn kinderen niet eens meer weet wie An en Eefje waren, terwijl hun verdwijning zo veel levens heeft beïnvloed. Een hele maatschappij eigenlijk. Hun verhaal mag niet vergeten worden. Het zou iedereen die erbij betrokken was onrecht aandoen.”

Met de vrienden naar zee

Recha, eenenveertig nu, was pas in het voorjaar van 1995 lid geworden van de toneelgroep. “Ik kende er bijna niemand, maar de groep voelde meteen als een verlengstuk van mijn familie. Ik had meteen een klik met An en Eefje. Ze waren allebei wat rustiger, net als ik, en we hingen uren aan de telefoon, zoals je doet als je zestien bent. Dat was trouwens nog de tijd waarin je ouders zeiden: ‘Nu heb je lang genoeg gebeld, denk aan de telefoonrekening’ (lacht). Wekelijks gingen we, los van de toneelles, iets drinken met de hele bende en al snel speelde mijn hele sociale leven zich af rond de vriendengroep van Harlekijn. Toen er werd voorgesteld om een weekje met z’n allen naar zee te gaan, was ik superenthousiast, maar mijn ouders zetten me meteen met beide voeten op de grond. Ik was jonger dan de rest en een hele week zonder begeleiding zagen ze niet zitten. Bovendien zou ik kort daarna nog op reis vertrekken met het schoolkoor. Eén nachtje aan zee zou wel voldoende zijn.

“Ik had meteen een klik met An en Eefje. Ze waren allebei wat rustiger, net als ik. We hingen uren aan de telefoon”

Ook al was ik er maar twee dagen, de tijd aan zee was geweldig. Met vier vrienden trokken we naar de hypnoseshow van Rasti Rostelli. Eefje en An bleven die avond nog thuis. Ik zie me daar nog zitten in de zaal toen Rostelli jongeren tussen zestien en twintig op het podium vroeg. Links en rechts van me zag ik handen de lucht in gaan en een beetje vertwijfeld stak ik de mijne dan ook maar op. Vóór ik het wist, stonden we met z’n vieren op het podium. Al vrij snel werd duidelijk dat de hypnose bij mij niet werkte, ik was veel te zelfbewust op dat moment, maar de impact op de anderen was zo fascinerend. Zonder verpinken beten ze in een citroen en één van onze vrienden heeft zelfs staan zingen en handtekeningen uitdelen als André van Duin. Gelachen dat we hebben op de weg naar ons vakantiehuisje!

Toen An en Eefje onze verhalen hoorden én dat we twee vrijkaarten hadden gekregen, beslisten zij meteen de dag nadien te gaan. Ik weet nog hoe jammer ik het vond dat het mij niet was gelukt om me over te leveren aan de hypnose. Zou ik het misschien ook nog eens proberen? Ik ben de volgende ochtend nog naar een telefooncel gegaan in de hoop mijn ouders te overtuigen nog een nachtje langer te mogen blijven, maar het antwoord was nee. Mokkend heb ik de trein naar huis genomen, terwijl An en Eefje met hun tweeën vertrokken.

Het hele land in rouw

Ik was thuis in een diepe slaap toen mijn papa me wakker maakte. Hij was goed bevriend met de familie Lambrecks en had de tante van Eefje aan de lijn. Of ik wist waar Eefje en An waren? Blijkbaar waren ze niet teruggekeerd van de Rostelli-show. Mijn keel snoerde dicht en mijn gedachten gingen in overdrive. Want toen al, van het allereerste moment, wist ik dat er iets niet juist zat. Het was niets voor hen om uit zattigheid op een verkeerde plek te belanden – een piste waar eerst nog op werd gehoopt – en het idee dat ze waren weggelopen, was al helemaal absurd. An had me vlak voor mijn vertrek nog toegefluisterd dat ze nog iets moest vertellen over een jongen voor wie ze iets voelde: ‘We bellen nog!’ Dan zou ze een paar uur later toch niet uit zichzelf verdwijnen?

“Ik was thuis toen mijn papa me wakker maakte. Of ik wist waar Eefje en An waren? Mijn keel snoerde dicht en mijn gedachten gingen in overdrive”

De dag nadien al moest ik met het schoolkoor op reis vertrekken naar Sint-Petersburg en ik heb nog geprobeerd er onderuit te geraken. De zoekacties trokken stilaan op gang en ik wilde mee zoeken. Maar de dirigent van het koor kon niet lachen met een lastminute-annulatie en mijn ouders overtuigden me om toch te gaan: ‘Wie weet zijn ze morgen alweer thuis en dan heb je dat kamp voor niks aan je voorbij laten gaan. We houden je op de hoogte, ga maar.’ Maar met elk telefoontje werden de zoekacties groter en de hoop kleiner. Toen ik een week later de aankomsthal in Zaventem binnenkwam, hing op elke zuil een affiche van mijn vriendinnen. Met een beschrijving van de kleren waarin ze het laatst waren gezien; de kleren die ze aanhadden toen ik vertrok. Die aanblik in de aankomsthal zal ik nooit vergeten. Het was overweldigend. Te veel.

Waar ik het heel moeilijk mee had – ook later, nadat An en Eefje werden gevonden – was de media-aandacht en de collectiviteit van het verdriet. Heel België wist wat er aan de hand was en zodra je de tv aanzette of een krant opensloeg, werd je ermee geconfronteerd. Toen ik een paar jaar geleden mijn beide ouders op korte tijd ben verloren aan kanker, was het verlies ook immens, maar het ging met zo veel sereniteit gepaard. Het was privé, intiem. Terwijl bij het verlies van Eefje en An het hele land zich betrokken voelde. Misschien was dat voor de familie net een hart onder de riem, maar voor mij, als zestienjarige, werkte het claustrofobisch. Zelfs op school, in de lessen Duits en Engels, werd ineens gewerkt rond thema’s als hypnose en verdwijningen. Nooit kon ik het eens loslaten. Nooit kon ik zelf een moment kiezen om verdrietig te zijn.

Een teken van boven?

Ook de vriendengroep, die eerst zo hecht aanvoelde, is na de verdwijning van An en Eefje nooit meer hetzelfde geweest. Opeens sloten er zich van heinde en verre mensen aan bij Harlekijn. Was het uit een zucht naar sensatie? Of gewoon omdat de toneelgroep ineens meer bekendheid had? In elk geval voelde het niet meer als de vertrouwde cocon van voordien. Ook de oorspronkelijke bende was veranderd. Iedereen ging anders om met zijn verdriet.

“Zelf heb ik nog heel lang in de tegenwoordige tijd over hen gesproken. Ik bleef hopen dat het goed zou komen”

Zelf ben ik nog heel lang over An en Eefje blijven spreken in de tegenwoordige tijd. Ik had echt nog hoop dat het goed zou komen. Dat ze misschien wel in een prostitutienetwerk waren beland, maar dat ze op een dag nog zouden kunnen ontsnappen en dat we hen weer terug zouden zien. Die hoop werd ook steeds gevoed als er tips binnenkwamen dat ze waren gesignaleerd in Londen of in Slowakije. Maar niet iedereen in de groep dacht daar zo over. Achteraf gezien hebben de vrienden die in het vakantiehuisje op Eefje en An zaten te wachten natuurlijk iets anders meegemaakt dan ik. Zij hebben de klok die nacht zien verder tikken. Vier uur ’s ochtends, zes uur ’s ochtends. Nog altijd niets. Zij hebben moeten beslissen wanneer ze hulp zouden inschakelen. De angst en de impact daarvan moet van een heel andere orde zijn geweest dan het nieuws ’s ochtends van je papa vernemen in je veilige bed. Maar die andere beleving en vooral die andere verwerking van het verdriet hadden een wig geslagen tussen ons. Niet veel later ben ik met toneel gestopt. Het was gewoon niet meer hetzelfde.

Op 2 september 1996 zijn An en Eefje gevonden. Dat het bijna zover was, hing al de hele dag in de lucht. Er waren opgravingen aan de gang in Jumet en ook bij ons in Hasselt stonden satellietwagens van VRT en VTM paraat omdat het de thuisbasis van de meisjes was. Eerst kwam het bericht dat er een horloge van Eefje was gevonden, en daarna, op het zevenuurjournaal volgde de bevestiging. Ik heb het nieuws in mijn eentje op mijn kamer gevolgd. Ik wilde alleen zijn, heb op mijn kussen zitten kloppen van verdriet. Enerzijds was er de opluchting omdat er een einde kwam aan de onzekerheid, anderzijds sloeg de rauwheid toen helemaal in. Dit is voor altijd. Ik ga nooit meer te weten komen wat An over die jongen wilde vertellen.

Op mijn kamer lag er nog een ballon die ik een paar weken voor haar verdwijning van Eefje had gekregen. Maand na maand was hij slapper geworden tot er nog een verschrompeld vies ballonnetje overbleef. En net die dag, de dag dat ze zijn teruggevonden, is het laatste zuchtje lucht uit de ballon ontsnapt. Of het iets betekent, weet ik niet, maar het voelde als een teken van boven. Het einde van de zoektocht.

Altijd voorbereid op een volgend verlies

Als ik terugkijk, is die periode van mijn zestiende, zeventiende een heel zwarte periode geweest. Letterlijk. Ik begon ineens zwarte lijnen boven mijn ogen te schminken en droeg bijna alleen maar zwart. Ik zat uren op mijn kamer gitaar te spelen en de donkerste liedjes te beluisteren. Vandaag kan ik het nog steeds moeilijk verdragen om foto’s van mezelf uit die periode te zien. Dan voel ik de pijn van toen opnieuw. Eenzaamheid, radeloosheid. Een gevoel dat veel tieners kennen, maar dan een veelvoud daarvan.

Het contrast met een jaar eerder was ook zo groot… De Harlekijnperiode was voor mij het begin van een nieuw leven. Voor het eerst voelen ergens deel van uit te maken, je grenzen aftasten, de wereld ontdekken. Maar net dat leven dat ik pas begon te ontdekken, werd meteen in de kiem gesmoord. Niet dat ik niet meer buiten ben gekomen. Ik héb de draad weer opgenomen. Net als anderen had ik liefkes en ik ging ook weg, maar in mijn beleving was ik op dat moment niet bezig met de dingen waar leeftijdgenoten mee bezig waren. Kleren, uiterlijk, jongens. In mijn hoofd zat er gemis en verdriet. En diegenen met wie ik daar het liefst over had willen praten, waren er niet meer.

“Lange tijd heb ik mij schuldig gevoeld. Wat als ik wél was meegegaan naar Rasti Rostelli? Met ons drieën hadden we vast sterker gestaan”

Lange tijd heb ik mij ook schuldig gevoeld. Wat als ik wél was meegegaan naar Rasti Rostelli? Met ons drieën hadden we vast sterker gestaan. Had ik de ontvoering kunnen voorkomen? Ik denk dat ik ergens ook wilde geloven dat ik een impact had kunnen hebben, want de andere denkpiste – dat ik erbij was geweest en géén impact had gehad – kan ik zelfs nu nog bijna niet uitspreken. Dan was het misschien aan mij geweest.

Met de jaren zijn de ‘wat als…’-vragen gelukkig op de achtergrond beland. Het enige wat wel een constante is gebleven, is de angst. De angst om ’s avonds alleen op een parking te zijn, bijvoorbeeld. De angst dat me iets gelijkaardigs overkomt. Ik kies altijd zorgvuldig uit waar ik mij parkeer en zal de eerste zijn om voor te stellen een ander te gaan afhalen.

Sinds ik mama ben, is die angst ook in veelvoud toegenomen. Mijn kinderen zijn nog jong, zes en drie, maar ik kan mij niet inbeelden dat ik mijn dochter ooit met de fiets naar een fuif zal laten gaan. Ik wil haar zeker niet onder een stolp zetten, ook zij moet kunnen uitbreken, maar ik weet nu al dat dat voor mij de grootste uitdaging van het moederschap zal zijn. Zelfs nu ze nog klein zijn, in de speeltuin bijvoorbeeld, ben ik de situatie voortdurend aan het taxeren. Kunnen ze vallen? Kan ik hen nog zien? Een voortdurende staat van paraatheid, alsof ik altijd voorbereid moet zijn op het volgende verlies.

“Ik wil mijn dochter niet onder een stolp zetten. Ook zij zal later moeten kunnen uitbreken. Al zal dat voor mij de grootste uitdaging van het moederschap zijn”

Onlangs waren we in een speeltuintje. Het regende en er was geen kat. Maar toen ik mijn zoontje even uit het oog verloor, misschien tien seconden maar, snoerde mijn keel weer helemaal dicht en gingen mijn gedachten weer in overdrive. Exact hetzelfde gevoel als die dag dat mijn papa naast mijn bed stond. Alsof je leven helemaal op zijn kop wordt gezet en je weet dat niets meer wordt zoals het was. Die voortdurende alertheid moet voor de mensen om mij heen niet altijd even leuk zijn, maar voor mij is ‘paranoïde in een speeltuin zitten’ wel een prijs die ik wil betalen. Als ik daarmee het moment kan voorkomen dat mijn wereld nog eens op zijn kop wordt gezet, dan heb ik dat ervoor over.

Weer in beweging komen

Door de jaren heen heb ik een fijn leven kunnen opbouwen, met een boeiende job als loopbaancoach en een man en twee kinderen die alles voor me betekenen. Toen acht jaar geleden mijn papa stierf en vijf jaar later ook nog eens mijn mama, was het dat fijne leven ook dat me heeft gedwongen even stil te staan. Het verlies van An en Eefje heeft me jarenlang achtervolgd, omdat ik niet wist hoe ik moest rouwen. Het idee dat ik daar nog eens opnieuw zou door moeten, dat ik tot mijn vijftigste nog onder de voet zou raken van gemis, leek me verschrikkelijk. Ik wilde gewoon mijn leven leiden. En handvatten krijgen over hoe dat moet. Daarom heb ik nog een opleiding tot rouw- en verliescoach gevolgd en die inzichten hebben mij enorm vooruitgeholpen. Ook al heb ik veel schrik van de dood, ik integreer hem nu een stukje in mijn leven. Dat ik daarbij ook anderen kan helpen, dat ik mensen die zelf ook vastzitten weer in beweging kan krijgen, geeft me veel voldoening.

Ook al ben ik heel mijn leven in Hasselt blijven wonen, met de mensen met wie ik alles vijfentwintig jaar geleden van dichtbij heb meegemaakt, heb ik de voorbije jaren niet veel contact meer gehad. Met de meesten ben ik wel bevriend op Facebook, maar verder gaat het niet. De enige met wie ik wél nog een warme band heb, is Jean, de papa van Eefje, en zijn vriendin Els. Wellicht doordat zij voordien al bevriend waren met mijn ouders en door wat we samen hebben meegemaakt. Elk jaar, op Eefjes verjaardag, stuur ik een berichtje en ook elke 22ste augustus en elke 2de september zal ik extra aan hen en de ouders van An denken. Jean was er op mijn trouwfeest en toen mijn kinderen geboren werden, op alle belangrijke momenten in mijn leven.

“De papa van Eefje was er op alle belangrijke momenten in mijn leven. Soms voel ik me schuldig om mijn eigen geluk, maar ik weet dat Jean het me gunt”

Soms, een fractie van een seconde, merk ik dat hij me taxeert. Dan zie ik hem precies denken: dit had Eefje haar leven kunnen zijn. En ja, dan voel ik me weleens schuldig om mijn eigen geluk. Dat ik me zo mag voelen en dat An en Eefje die kans zo bruut en zo plots is ontnomen. Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat Jean het me gunt. Dat hij er behoefte aan heeft te zien dat ik het goed doe. En dat ik ondanks alles gelukkig mag zijn.”

Uit: Libelle 32/2020 – Tekst: Karolien Joniaux

Meer openhartige verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!