Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Hannelore

Uit het hart van Hannelore: “Geef me iets om handen, anders concentreer ik me ongewild te veel op het verdriet”

Begin 2019 verloor Hannelore plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Bezig blijven

Het is steenkoud buiten, maar de zon schijnt en zowel bij Hoppe als bij mij doet dat wonderen. Hoewel de winter nog maar een dikke maand in ons land is, begin ik alweer reikhalzend uit te kijken naar de lente. Niet per se omdat er dan van alles begint te bloeien, maar simpelweg omdat het dan noch te warm noch te koud is. Geen uitersten. Zo’n tussenseizoen als de lente, daar hou ik van. Diep vanbinnen hou ik ook wel een héél klein beetje van donkere winterdagen, van de daarbij horende huiselijke gezelligheid, maar sinds Stijn er niet meer is, heb ik de neiging me in huis op te sluiten en ik voel dat ik alweer snak naar meer daglicht, naar de mogelijkheid buiten in de hangmat tussen de bomen te hangen en daar een boek te lezen zonder drie paar truien aan te trekken.

Maar vandaag is het dus nog volop winter en dat betekent: wachten tot het zover is. En vooral: blij zijn met elke kleine zonnestraal. Dus reppen Hoppe en ik ons naar buiten zodra de zon zich laat zien en de regen uitblijft. Tijdens de druilerige herfstmaanden heb ik de tuin wat verwaarloosd, dus begin ik de boel wat op te kuisen, leg materiaal dat al veel te lang onafgedekt ligt onder een zeil, timmer het opberghok in elkaar waarvan de onderdelen al weken tegen de tuinmuur te wachten staan, zaag de oude, gebroken terrastafel in stukken om meer brandhout voor de vuurschaal te hebben en werk me in het zweet. Het is afmattend werk, maar ik heb het gevoel dat ik nuttig ben, dat ik niet zit te niksen, en vooral: dat ik mezelf help. Want de laatste weken gaat het niet goed, de laatste weken loop ik opnieuw wat verloren in verdriet. En ik weet: bezig blijven is de enige remedie om door die pijn te gaan. Zoals mijn moeder jarenlang bij elke zware migraine-aanval zei: “Ik moet bezig blijven”, zo voel ik het nu ook, met een ander soort pijn, maar toch: geef me iets om handen, anders concentreer ik me ongewild te veel op het verdriet en dan is het risico groot alsnog onderuit te gaan.

Terwijl ik mezelf afbeul, is Hoppe aan het voetballen, in de tuin die er door de vele regenbuien van de afgelopen dagen, nogal drassig en modderig bij ligt. Maar ook hij leeft op en het zien van zijn rode wangen doet mij deugd. Af en toe gaat ook hij onderuit, maar meer dan een modderige broek houdt hij daar gelukkig niet aan over. En een modderige broek kun je – in tegenstelling tot een hoofd vol verdriet – wél in een wasmachine steken, om er daarna weer als nieuw uit te zien.

“Polly draagt enkel haar badpak waarmee ze straks naar de zwemles moet en heeft haar duikbril op. En ze danst alsof haar leven ervan afhangt”

Als ik even het terras op wandel om binnen een koffie te halen, zie ik Polly achter het grote glazen schuifraam dansen. Ze heeft zich omgekleed, draagt enkel haar badpak waarmee ze straks naar de zwemles moet en heeft haar duikbril op. En ze danst alsof haar leven ervan afhangt, kinds, wild, gracieus en vrolijk. Met grote concentratie is ze naar zichzelf in de spiegel aan het kijken. Het is een prachtig zicht en ik blijf een hele tijd kijken, tot ze me ziet staan en vrolijk lacht. Ik open het raam, zeg dat ik het wondermooi vond wat ze daar deed. Polly glundert en wijst naar de foto van Stijn op de piano.

“Papa zegt welke bewegingen ik moet maken”, zegt ze zonder verpinken.

“O ja?”, vraag ik geamuseerd.

Ze knikt, kijkt naar beneden, wacht even.

“En hij zegt dat ik mijn linkerbeen wat meer moet buigen dan mijn rechter.”

Dan draait ze zich om en begint opnieuw te dansen. Terwijl ik koffie zet, kijk ik van het kleine meisje naar Stijn op de foto en zucht. Omdat het zowel mooi is als enorm veel pijn doet.

’s Avonds zitten Hoppe, Polly en ik samen in de zetel naar een film te kijken. Hoppe hangt tegen mij aan, Polly springt af en toe naast ons recht om wat danspassen te tonen, telkens als er in de film een vrolijk deuntje weerklinkt. Als ze na een hele tijd uitgeput aan mijn andere zijde in de zetel ploft, vraag ik haar of ze later danseres wil worden. Ze kijkt me met twinkeloogjes aan, zwiert haar beentjes op mijn schoot, gooit haar armpjes achter haar hoofd, gaat er comfortabel bij liggen en zegt dan doodleuk: “Nee hoor, ik word ook schrijfster. Dan kunnen we van gedachten wisselen.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!