Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Het verdriet om Stijn is nog zo rauw, zelfs al zijn we anderhalf jaar verder”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Dag 1

We zijn nog maar net uit vakantie terug, we zitten nog maar net aan het eerste ontbijt terug in eigen huis, we zijn alle drie moe, maar zongebruind en gelukkig. Tot alles ineens omslaat. Alsof de poppenspeler die onze touwtjes vasthoudt besloten heeft dat de pauze voorbij is en dat we terug het (strijd)toneel op moeten. Terwijl ik bij Hoppe een kleine brandwonde verzorg, wordt hij lijkbleek. Eerst denk ik nog dat hij de ‘dramaqueen’ uithangt, maar in geen tijd parelt het zweet op zijn gezicht, zegt hij dat hij het heel warm heeft en fluistert hij “mama, ik wil slapen”. Daarna strompelt hij van de tafel weg, gaat op het tapijt liggen en sluit zijn ogen.

Alles gebeurt in enkele seconden tijd, maar mijn hart gaat meteen als een razende tekeer. Onze voorgeschiedenis in gedachten, bel ik meteen het alarmnummer. Ik hoor mezelf tegen Polly zeggen dat ze wat kleren voor haar broer moet halen. Het vierjarig meisje schiet pijlsnel naar boven, alsof ze voelt dat er nu geen tijd is voor vragen. Terwijl ik tegen Hoppe blijf praten, hem verplicht af en toe iets te antwoorden, graai ik spullen bijeen voor een ziekenhuisopname. We weten ondertussen hoe het gaat. Ik probeer krampachtig niet te denken aan de mogelijkheid dat Hoppe z’n hartje het zal begeven.

Terwijl ik met Polly in de wagen de ambulance volg, bel ik mijn moeder. Handsfree, dus de verbinding is wankel – net zoals ik me ook voel –, maar de vertrouwde stem zorgt dat ik meteen na de eerste tranen terug tot rust kom. Dit moet goedkomen, mag niet nog eens gebeuren, dit trek ik simpelweg niet meer.
De uren daarna beleef ik in een waas. De spoedafdeling, de vriendelijkheid van de ziekenhuispersoneel, de opname op kinderintensieve, de verpleegsters die ons herkennen en schrikken wanneer ze zien dat ik deze keer niet met Polly maar wel met Hoppe arriveer.

Na een nacht op intensieve zorgen, een nacht waarin ik meermaals bij het bed van Hoppe sta, die schrik heeft voor de eventuele noodzaak van een ICD (een implanteerbare cardioverter defibrilator, nvdr.) zoals zijn zusje heeft, en de daarbij horende stevige operatie, brengt de cardioloog het geruststellende nieuws: het hart van Hoppe doet het goed, er moeten geen stappen ondernomen worden. Hoppe juicht, ik haal adem, al laat de onrust zich nog steeds in mijn lijf voelen. We mogen naar huis en dat nieuws zorgt in beide families voor een golf van opluchting. Onderweg naar huis, allebei stikkapot, zeg ik hem dat hij mij nooit meer zo mag laten schrikken. Lachend spreken we af dat we vanaf nu enkel goeie jaren zullen hebben, dat de ambulances, het ziekenhuis, de paniek, het verdriet, dat het allemaal wel genoeg is geweest nu.

“Iemand is vrienden uit onze schone bende aan het halen, willekeurig, zonder reden en scheurt families uit elkaar”

Slechts enkele dagen later, wanneer we denken dat we goed begonnen zijn aan die ‘goeie jaren’, wanneer we de vermoeidheid van de afgelopen dagen nog voelen maar wel blij samen aan het weekend beginnen, rinkelt mijn telefoon en komt de donderslag bij heldere hemel. Eén van de beste vrienden van Stijn is die nacht overleden. Zomaar ineens, weg, net zoals Stijn toen. Van de één op de andere dag is een leven kapot en zijn meerdere andere levens volledig veranderd. Ik probeer niet in te storten en kan – door het rauwe verdriet heen – maar aan één ding denken: ik moet mijn vriendin steunen, ik moet er voor zijn vrouw zijn. De hele rit naar haar huis denk ik: voor haar is het nu ‘dag 1’. De herinnering aan mijn eigen ‘dag 1’ maakt me misselijk.

Onder de vrienden wordt gezegd dat het op de één of andere manier een soort troost is te weten dat zijn vrouw steun heeft van iemand die de hele rit al eens gereden heeft. Ik knik, beaam hun voorzichtige woorden, maar durf slechts aan enkelen zeggen dat ik niet weet of ik het al kan. Dat het verdriet bij mezelf ook nog zo rauw is, zelfs al zijn we anderhalf jaar verder. Soms lijkt het alsof ‘dag 1’ gisteren was.
Iemand is ons aan het testen, is vrienden uit onze schone bende aan het halen, willekeurig, zonder reden, scheurt families uit elkaar en dropt rauw verdriet op ons hoofd. En ik kan er niet aan uit waar we dit aan hebben verdiend.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!