De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Uit het hart van Hannelore: “Hartfalen klinkt zo negatief. Alsof Stijn gefaald heeft”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (35) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Onze columniste in het kort: Hannelore Bedert is bij het grote publiek bekend als singer-songwriter, en auteur van ‘Lam’, waarmee ze de Bronzen Uil publieksprijs 2019 won.

Hartfalen

Op een zondagmorgen sta ik in de badkamer, terwijl ik Polly beneden hoor zingen. De kinderen zijn allebei langslapers, we hebben de afspraak dat mama ook mag uitslapen, dus wanneer Hoppe en Polly eindelijk uit hun bed donderen, houden ze zich bezig tot ook ik fris gewassen en – in de mate van het mogelijke – vrolijk beneden verschijn. Dat moment waarin ik even met niemand rekening moet houden, tenzij met mezelf… de kinderen weten ondertussen dat ik waarde hecht aan die rust. Stijn stond altijd op zodra hij de kinderen hoorde, maar ik vermoed dat hij me dit wel zou vergeven.

Deze morgen echter staat Polly ineens, totaal onverwachts, achter mij en roept luid: “Boe!” Het was me niet eens opgevallen dat het zingen beneden tot een einde was gekomen en het geluid van de tandenborstel in mijn mond nam sowieso de bovenhand, waardoor ik haar niet heb horen binnenkomen. Ik spring een meter in de lucht, knal de tandenborstel tegen mijn verhemelte, vloek even keihard en roep dan: “Polly, ik kreeg bijna een hartaanval!”

“Het woord ‘hartaanval’ is eruit. Ineens. Polly’s oogjes vullen zich in enkele seconden met tranen”

Het woord ‘hartaanval’ is eruit voor ik het besef en klonk veel harder en luider dan ik eigenlijk wilde, maar de woorden blijven in de badkamer tussen ons in hangen en ik kan ze niet terugnemen. Polly kijkt naar mij op, staart me met grote ogen aan, oogjes die zich in enkele seconden met tranen vullen. Ze houdt zich nog even sterk, maar begint dan heel zachtjes te huilen.

We hebben het laatste jaar zo onnoemelijk open over Stijn gepraat, zo vaak hadden we het over het ‘bakje’ in Polly’s buik, lachend zelfs. Enkele maanden geleden waren Hoppe en Polly aan het spelen. Het ging er wild aan toe en ik had hen al een aantal keer tot voorzichtigheid moeten aanmanen. Toen Polly ineens op een keukenstoel stond te wankelen en net niet op de grond donderde, schrok ik en zei: “Polly, serieus, mijn hart!” Het toen driejarige meisje keek mij verbaasd aan, zette haar handjes in haar heupen en zei: “Mama, jouw hartje is echt oké, ík heb een bakje in mijn buik, jíj niet.” Ik had er niet van terug.

Maar het woord ‘hartaanval’ of ‘hartfalen’ passeerde weinig. De kinderen wéten dat Stijn z’n hart het begeven heeft, we hadden die herhaling niet meer nodig. “Hartfalen klinkt zo negatief”, zei Hoppe eens. Hij had een punt. Alsof het hart gefaald heeft, alsof Stijn gefaald heeft. Terwijl zijn hart zo ongelooflijk groot was en hij absoluut niet had willen vertrekken.

“Polly’s stemmetje klinkt heel zachtjes. ‘Jij mag geen hartgeval hebben, mama.’ Ze is maar vier jaar oud, en heeft al veel te veel zorgen”

En nu heb ik ‘hartaanval’ gezegd. Ineens. En ik heb het niet alleen gezégd, ik heb het geroepen, mijn stem klonk luid en hard. Ik zak door mijn knieën, uit onmacht, maar vooral om ons kleine meisje vast te nemen en te troosten. “Ik bedoelde het niet zo, Polly.”
Er komt geen antwoord, alleen licht gesnik. Als ik naar haar gezichtje kijk, zie ik kleine oogjes en grote tranen. “Je liet me schrikken, Polly. Sorry, ik had niet zo moeten roepen.”
Haar stemmetje klinkt heel zachtjes. “Jij mag geen hartgeval hebben, mama.”

Ik slik de krop in mijn keel weg en hou haar steviger tegen mij aan. Vier jaar oud en al veel te veel zorgen. Enkele uren later sta ik in de keuken een klein plantje bij te knippen dat er maanden geleden de brui aan leek te hebben gegeven. Het was er waarschijnlijk van overtuigd dat het niet meer te redden viel, dus haalde ik al mijn koppigheid boven en beloofde mezelf het plantje in leven te houden.

Naast mij staat Polly op een keukenstoel, met haar elleboogjes op het werkblad en haar hoofdje steunend op haar handjes. Ze kijkt vol bewondering naar het plantje en knikt goedkeurend terwijl ik enkele dode blaadjes verwijder. “Kijk”, zeg ik en wijs naar de kleine, nieuwe, groene knopjes en blaadjes. “Het plantje leeft weer. We hebben er zo goed voor gezorgd, dat het nu weer zin heeft om te groeien.” Het kleine meisje knikt, glimlacht en aait voorzichtig een van de blaadjes. Dan kijkt ze naar me op en zegt onomwonden: “We kunnen dat anders ook eens met papa proberen?”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content