Het Libelle Zomerverhaal: deel 5

Het Libelle Zomerverhaal: deel 5

Zomer 1988. Twee families trekken samen naar Oostenrijk. Maar een bekentenis tijdens de heenreis zet alles op losse schroeven. Raken ze ooit op hun bestemming, Schoppernau? Houdt de vriendschap stand, daar in de bergen? En wordt het alsnog een leuke vakantie, met z’n allen in één chalet? Dat lees je 7 weken lang op onze site.

Wat voorafging:
Elly confronteert Liliane na de bergwandeling met de affaire tussen haar en haar echtgenoot. Wat ze nog steeds geheim houdt, is dat haar grote jeugdliefde Eddy de eigenaar is van hun vakantiehuisje.
***
“Bis später, Schatzi.”
Eddy nam afscheid van zijn vrouw. Hij stapte in zijn stoffige, rode Jeep Cherokee, duwde met de achterkant van zijn rug hard tegen de grijze autozetel en legde zijn kalende kruin achterover tegen de hoofdsteun. Hij zuchtte luidop en sloot even zijn ogen. “Kalm blijven, Eddy. Alles komt goed. Gewoon even dag gaan zeggen tegen de huurders, zoals je dat altijd doet”, sprak hij zichzelf moed in. Hij stak de sleutel in het contact.

Hij had het één dag uitgesteld om de huurders te verwelkomen in zijn vakantiehuis. Dat deed hij normaal gezien nooit. Maar normaal gezien was het Elly niet die in zíjn huis zat. Nu was het een geval van ‘op de juiste plek, op het verkeerde moment’. Bijna twintig jaar te laat. En nu moest hij er toch naartoe, zoals het een goede gastheer betaamt. Het zou trouwens verdacht zijn mocht hij niet langsgaan. Dan zou hij aan zijn Katharina moeten uitleggen dat deze huurders wel erg bijzonder waren. Dat Elly het meisje op die foto was… Nee, dat ging niet.

Eddy startte de wagen. De radio schoot aan. ‘Never Gonna Give You Up’ van Rick Astley. Altijd weer datzelfde nummer deze zomer. Eddy draaide de knop meteen weer om, hij had er geen zin in. Hij reed het korte grindpad af richting grote baan. Amper een kwartiertje was het naar het vakantiehuis in Schoppernau. Naar zijn spook uit het verleden. Een mooi spook met zacht omfloerste randen weliswaar, maar wel één dat hem nog steeds zo nu en dan ’s nachts uit zijn slaap hield. Nog maar vijftien minuten…
***
In de chalet kon Liliane het niet langer voor zich houden. Ze had eerst nog geprobeerd het te ontkennen. Maar na een lange periode van intense stilte tussen de twee vrouwen, waarin Liliane ook de voet van Elly verzorgd had, gutste alles er in één keer uit.
“Wil je echt weten waar je was, Elly? Echt? Jij was weer eens vroeg gaan slapen, oké. Zoals zo vaak. En nadat wij elk apart de kinderen in bed hadden gestoken na de training, zaten wij allebei nog op ons terras te roken. Elk ons eigen terras hé. Maar ik hoorde John wel naast mij, door de haag. En dan heb ik gezegd dat het wel stom was dat we nu allebei naast elkaar een glas zouden zitten drinken, dat hij dan evengoed met mij een fles kon komen delen…”

Liliane kon niet langer zwijgen. Ze vertelde hoe John en zij dronken samen in bed waren beland

“Dus jij hebt hem…” Elly’s ogen schoten vuur. Het was niet enkel haar man geweest die haar bedrogen had, het was ook haar zogezegde ‘vriendin’ geweest die dit in gang had gestoken.
“En één fles werden er twee. En van het één is dan het ander gekomen…” Liliane barstte nog maar eens in tranen uit. “Och, Elly, ik zweer het, het betekende niks. Wij hadden gewoon te veel gedronken en ik was eenzaam. Ik ben zo vaak eenzaam, jij weet niet hoe dat is.”
“Ik weet inderdaad niet hoe dat is, nee. Dat je de man van je buurvrouw probeert te verleiden. Van een vriendin nota bene. Dat weet ik niet, nee. Dat begrijp ik ook niet. Maar vertel voort”, reageerde Elly onderkoeld.
“Wat wil je nog meer weten?”
“Wat is er gebeurd tussen jou en John?”
“Moet dat echt, Elly? Je weet het nu toch.”
“Ja, dat moet.”
“Oké dan. Wij zijn samen naar boven gegaan en wij zijn beginnen kussen. En van daarna herinner ik me niet te veel meer. Dat het rommelig was, dat wel. En dat we allebei veel te zat waren. Dat hij zenuwachtig was. Ongemakkelijk, dat is het woord dat ik zocht. Het was heel ongemakkelijk. En dat hij zich schuldig voelde, meteen nadat het voorbij was. Misschien zelfs al tijdens. En ik ook. Sindsdien voel ik me al heel de tijd schuldig, eigenlijk. Tegenover jou, tegenover Rogier. Tegenover John.”
Liliane durfde Elly voor het eerst weer in de ogen te kijken.
“Het stelde niks voor, Elly. Echt niet. Helemaal niks. Het was gewoon een stommiteit tussen twee zatte mensen, meer niet.”
“En dus moet ik het allemaal maar oké vinden? Omdat het rommelig was? Mijn eigen buurvrouw, mijn vriendin, met mijn eigen man… En het excuus is dat jullie een fles wijn op hadden?” Elly kon allang niet meer kiezen tussen huilen en razend zijn, dus deed ze het maar allebei tegelijk.
“Twee flessen”, probeerde Liliane nog voorzichtig.
“Alsof het er iets toe doet hoeveel jullie gedronken hadden! Waaraan heb ik dit verdiend?! Zeg mij dat eens. Waaraan heb ik dit verdiend?”
“Nergens aan, Elly, je hebt dit niet verdiend.”
Liliane probeerde de huilende Elly te omhelzen, maar dat liet ze niet toe. “Laat mij gerust, Liliane, laat mij gerust. De klootzak, verdomme!”
Elly zweeg. Ze pulkte aan haar pijnlijke voeten en keek voor de zoveelste keer omhoog naar de berg. Ze was boos, teleurgesteld, triest. En ze voelde zich doodmoe, mentaal én fysiek. En net als gisteravond alleen in bed schoot de gedachte door haar hoofd dat ze misschien verkeerd gekozen had door met John te trouwen. Wat als ze zoveel jaren geleden toch bij Eddy was gebleven? Hoe was haar leven dan gelopen? Zou ze dan vandaag ook de bedrogen vrouw geweest zijn? De uitgeputte moeder over wie iedereen heen liep – haar man, haar vriendin? Het beeld van de foto die ze in haar nachtkastje had verstopt, stond nog steeds op haar netvlies gegrift.
Liliane probeerde haar nogmaals te omhelzen. “Laat mij gerust, Liliane, ik meen het!”, beet Elly haar toe.
***
John, Rogier, Quinten en Kristof daalden in een dolle stemming de berg af na de heerlijke lunch met worstjes boven op de top. Dat Kristof eindelijk de ‘r’ kon uitspreken, maakte de sfeer er alleen maar beter op. Dát zou Elly nog eens straf nieuws vinden! Ze vertelden elkaar mopjes – “Ken je die van Pudding en Gisteren al?” –, zongen, mannen onder elkaar, schuine marcheerliedjes en deden met zijn vieren de sketch van Urbanus en de padvinders na. Zelfs Rogier, die normaal helemaal niet te vinden was voor dit soort plat amusement, zag er de pret wel van in. Het was dan ook een prachtige dag voor een bergwandeling geweest, de jongens hadden zich flink gedragen én hij had de zoon van de buren iets kunnen bijleren.

De onnozele sfeer zorgde ervoor dat de tijd en de afdaling snel voorbijgingen. Ze waren ongemerkt al een tijdje weer tussen de bomen onder aan de berg aan het wandelen. In de verte konden ze hun huisje zelfs al zien waar Elly en Liliane op het terras in een gesprek verwikkeld waren. Vanop een afstand zag het er gezellig uit, hun twee vrouwen in de zon op het terras. Aan het keuvelen, zo leek het wel. Nog steeds in uitgelaten stemming zetten Kristof en Quinten het de laatste honderd meter op een lopen, met John en Rogier erachteraan.
“Mama, mama, ik kan het, ik kan het!”, riep Kristof uitgelaten toen hij op het terras aankwam. “Ik kan het echt, mama!”
“Niet nu, Kristof”, wimpelde Elly haar zoon af. Haar ogen stonden nu helemaal op onweer.
“Maarrr, ma-maaaaaaaa!”

Elly keek John bloedlink aan, haar schmink uitgelopen van het huilen. Het was goed mis, besefte hij

Pas toen ze óp het terras waren, zag John dat het mis was. Elly’s schmink was helemaal uitgelopen van het huilen, en die van Liliane ook. Elly keek hem bloedlink aan. Het was echt helemaal mis, besefte hij. Ze hadden het er duidelijk over gehad, Elly wist alles.
“Mais enfin, wat is er hier aan de hand, mesdames?”, kwam Rogier uit de lucht gevallen.
“Vertel jij het maar, John”, zei Elly kurkdroog. “Vertel jij maar wat jij met Liliane hebt uitgespookt. Want ik heb hier niks mee te maken. Luister goed, Rogier.”
“Schatje…”, probeerde John nog.
“Niks te ‘schatje’.”
“Lili, is er iets dat ik moet weten?”. Rogier keek zijn vrouw aan als een gekwetst vogeltje. Het was een vreemd gezicht, met dat rare hoedje dat hij nu al de hele dag op zijn hoofd had.
“Sorry, Rogier”, snikte Liliane. “Sorry.” En dan viel ze stil.
“Ze hebben ons bedrogen, Rogier. Jouw Liliane en mijn John”, klonk het koud uit de mond van Elly, die star voor zich uit staarde.
Rogier werd stil. Hij bekeek de gezichten van de drie anderen één voor één. Niemand zei een woord.

De ijzige stilte was het teken voor Rogier om tot actie over te gaan. Onder zijn dunne laagje gecultiveerde beschaving school immers een man van vlees en bloed, met passies en agressie. Rogier zette een stap naar voor, draaide zich naar links en stortte zich op John. Met drie onhandige, maar rake klappen velde hij hem. John probeerde enkel af te weren, sloeg niet terug. Hij wist dat hij het verdiend had.
“Nee, Rogier! Niet doen, niet doen! Ik was het!”, trok Liliane haar man weg van John.
“Wie denk jij wel dat je bent?!”, snauwde Rogier John toe, terwijl die op de grond bleef liggen. “Dat wil ik weleens weten. Wie denk jij wel dat je bent?!”
“Als je kwaad wil zijn, en ik snap dat, wees dan kwaad op mij, Rogier!”, zei Liliane met bevende stem. “Niet op John. Kom, laat hem nu. Alsjeblieft, laat hem.”
Rogier ademde diep in en uit en draaide zich om. Hij had zijn punt gemaakt.
***
In al het tumult had niemand opgemerkt dat er een rode Jeep Cherokee gestopt was op de oprit van het vakantiehuisje. Eddy stapte uit, met de geforceerde glimlach op zijn gezicht die hij de hele rit naar hier had geoefend. Hij wilde niet tonen dat die diepe tristesse over wat jaren geleden al geschiedenis was, nog steeds in hem zat. Hij stapte zo enthousiast mogelijk op het gezelschap af. John, die weer rechtop gekrabbeld was, kon zijn ogen niet geloven.

Daar stond plots ‘haar’ Eddy, ietsje molliger en kalend, maar nog steeds die jongen waar ze ooit zo gek op was

“Is dat… Eddy? Nee, dat kan niet. Eddy? Wat doet die hier? Elly, wist jij hiervan?”
Maar Elly antwoordde niet. Ze had geen aandacht meer voor John. Ze keek naar Eddy, die na al die jaren nog geen haar veranderd was. Voor de buitenwereld mocht het dan wel een man van dik in de veertig zijn met een lichtjes kalende kruin en hier en daar wat pondjes te veel, voor haar was hij nog steeds diezelfde jongen van twintig waar ze ooit zo gek op was.

Ze liet de anderen ter plekke staan, liep op Eddy af en bleef vlak voor hem staan. Ze keken elkaar aan, de twee oude geliefden. “Je ziet er gut uit, Elly”, zei hij. Elly had zo vaak gedacht over wat ze zouden zeggen als ze hem nog eens zouden zien. Maar nu wist ze niks uit te brengen. Ze glimlachten, een beetje onwennig.
Liliane, Rogier en John sloegen het tafereel schaapachtig gade. John begreep niet waarom Eddy hier plots aan hun vakantiehuis in Oostenrijk stond.
“Dat is de broer van Rita”, zei Rogier tegen niemand in het bijzonder. “De patron van het huisje. Maar hoe Elly hem kent, ça je ne sais pas.”
Dat wist John maar al te goed.

Eddy draaide zich om naar het gezelschap en lachte schaapachtig naar hen. Alsof hij wilde zeggen: ‘Ik weet ook niet hoe dit allemaal moet.’ Hij draaide zich terug naar Elly, die in snikken uitbarstte en geen moeite meer deed om tegen haar gevoel in te gaan: ze wilde hem vastnemen, stevig omhelzen. En daar, tegen zijn borstkas aangedrukt, kreeg ze een ingeving: ze zou meegaan met Eddy. Gewoon in zijn jeep stappen en meerijden. Waarnaartoe, dat wist ze niet. Maar het zou John leren. De brave Elly, die zoiets nooit zou doen. Haar leven had altijd in het teken gestaan van wat hoorde, wat betamelijk was – eerst als dochter, daarna als vrouw en moeder. ‘Doe maar gewoon, dat is al zot genoeg’, ze had het vaak genoeg gehoord van haar moeder. Voor één keer zou ze wél eens zot doen. Ze bekeken het maar, John, Liliane en Rogier.

Elly nam Eddy’s arm vast en trok hem mee naar de Jeep. “Wat doe jij nu, Elly?”, vroeg Eddy verrast. Hij snapte er niks van. Er waren veel scenario’s door zijn hoofd gegaan, maar dit was er geen van.
“Ik moet hier weg, Eddy. Stap alsjeblieft in begin te rijden, ik leg het wel uit.”
John probeerde in te grijpen. “Elly, verdomme, we kunnen er toch over praten?”, probeerde hij haar nog tegen te houden.
Maar Elly had er geen oren naar en stapte in. “Haal me hier weg, Eddy, alsjeblieft, ik moet hier weg.”
Eddy had nog verontschuldigend gebaard naar de anderen, schouders omhoog en weer omlaag, maar had de wagen dan toch gestart en reed de oprit af. Naar waar? Dat wist hij nog niet. En hoe zou hij dit aan zijn Katharina, zijn vrouw, moeten uitleggen?
John wilde achter de auto aan lopen, maar werd tegengehouden door Liliane. “Laat ze nu maar even, John. Geef ze wat tijd en ruimte. Dat heeft ze nodig. Ze komt wel terug.”
John keek haar verbouwereerd aan. “Liliane, weet jij wel wat je zegt? Weet jij verdomme wel wie die man ís?”
***
De rode Jeep scheurde net weg toen de tieners, de haren nog nat, aankwamen aan het huisje.
Ze hadden er een leuke zomernamiddag aan het zwembad opzitten. Ze hadden zelfs vrienden gemaakt, lokale tienerjongens Andreas en Lorenz. Hun Engels was gebrekkig, maar de gemeenschappelijke pubertaal universeel. En dus hadden ze gebabbeld over muziek, hobby’s en tv. De jongens hadden hen uitgenodigd om ‘s avonds mee te gaan naar de Waldstube, het enige café van het dorp. Kathleen had toegezegd, ook al zou ze dat zeker niet mogen van haar ouders.

De twee waren net een plan aan het smeden om die avond naar buiten te sluipen, als ze Elly in de passagierszetel van de rode Jeep zagen wegrijden. Op het terras stonden Kristof en Quinten te wenen. Rogier wreef met zijn rechtervuist in zijn linkerhand, met een pijnlijke grimas op zijn aangezicht. Liliane trok John nog steeds met één hand achteruit, al maakte die allang geen aanstalten meer om waar dan ook achteraan te gaan. John tuurde gewoon in de verte, de auto achterna.
“Waar is ons mama naartoe, papa? En wie was die man in die rode auto?”, vroeg Kathleen aan iedereen en niemand tegelijk.
“Ik weet het niet, Kathleentje. Ik weet echt niet waar ze naartoe is”, antwoordde haar vader.
“Och, ze komt wel terug”, suste Liliane nog. “Je mama moest gewoon even uitwaaien.”
Kathleen draaide haar rug en sprak uitsluitend tot haar vader. Ze had geen zin om tegen Liliane te praten. “Maar met wíé is mama dan weg?!”
“Dat was Eddy.” John slikte iets weg. “Ik wist ook niet dat hij hier zou zijn. Blijkbaar is het huisje van hem. Als ik dat had geweten, dan waren we nooit…”
“Goh, verdomme, hè. Oude mensen zijn toch allemaal dezelfde. Je hebt het verknald, papa. Besef dat maar goed. Deze keer heb je het echt verknald…”
“Ik weet het, schat”, antwoordde John verslagen. “Ik weet het.”
Kathleen gunde hem geen blik meer, en nam haar kleine broertje die nog altijd stond te huilen, in haar armen. Ze veegde zorgvuldig zijn tranen weg en glimlachte naar hem.
“Vertel eens, Kristof, heb je de top gehaald? En waren de worstjes lekker?”
“Ja”, snifte hij. “En ik kan het Kathleen, de ‘r’. Maar mama wilde niet luisterrren.”
“O Kristof, je kunt het echt! Proficiat, jongen.”
De jongen lachte even, maar keek zijn zus dan toch weer beteuterd aan. “Komt mama nog terrrug, Kathleen?”
“Natuurlijk wel.”
Ze keek boos naar haar vader. Die keek in schaamte weg.

Elly stapte in Eddy’s Jeep en samen scheurden ze weg. Niet wetende waar naartoe

Volgende week deel 6: waar is Elly?

Tekst: Wim Hellemans & Annelies Dyck – Illustratie: Mireille Kouwenberg

Herlees hier de vorige delen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)