Het Libelle Zomerverhaal: deel 6

Het Libelle Zomerverhaal: deel 6

Zomer 1988. Twee families trekken samen naar Oostenrijk. Maar een bekentenis tijdens de heenreis zet alles op losse schroeven. Raken ze ooit op hun bestemming, Schoppernau? Houdt de vriendschap stand, daar in de bergen? En wordt het alsnog een leuke vakantie, met z’n allen in één chalet? Dat lees je 7 weken lang op onze site.

Wat voorafging:
Elly wil John straffen voor diens affaire met Liliane en rijdt mee met haar jeugdliefde Eddy. Ze wil van hem horen of hij nog wat voelt voor haar. De rest van het gezelschap blijft verbouwereerd achter in het huis.
***
John wilde zichzelf een glas wijn uitschenken. Nog eentje, het allerlaatste. Maar de fles was al leeg. En dus strompelde hij naar de koelkast voor een tweede fles. Niet dat hij al dronken was, nog lang niet. Althans, dat maakte hij zichzelf wijs. Maar slapen zat er voorlopig toch niet in. Nog één glas en dan een theetje. Nog eentje maar. John zat nu al een uur – of was het een nacht? Een jaar? Een eeuwigheid? – in zijn eentje op het terras met een fles wijn. Of twee.

Rogier en Liliane hadden zich na het – onbehagelijk stille – avondeten teruggetrokken in hun kamer om één en ander uit te praten. Dat hadden ze niet expliciet uitgesproken, maar daar ging John toch van uit. En hij begreep het wel. Kathleen en Ramses hadden Kristof en Quinten daarna geëntertaind en uiteindelijk ook mee naar hun kamers genomen om te gaan slapen. Ze waren plots zo volwassen, zo verantwoordelijk geweest. Wellicht waren ook zij geschrokken van de gebeurtenissen.

John was alleen overgebleven. Alleen met zijn gedachten en de wijn. Hij zag zijn vrouw graag, verdomme. En zijn kinderen. Hij zou alles doen voor hen. Alles. En hij deed ook alles voor hen, dat beseften ze niet eens. Elke dag opnieuw deed hij zijn best, voor Elly en de kinderen. Deed hij dingen die hij vroeger nooit gedaan zou hebben, deed hij dingen niet die hij vroeger altijd gedaan zou hebben. Maar dat zag niemand. En zelfs dát was oké, dat niemand het zag. Zo graag zag hij hen. En ja, hij had een fout gemaakt. Een grote. Maar één fout, verdomme, toen hij te veel gedronken had. Iedereen maakt toch fouten? Zíj toch ook? Waar zat Elly trouwens? Wat was ze aan het doen met Eddy? En wist zij al die tijd dat dit huisje van hem was? Dat was dan ook fout van haar! Ach, dit moest hij nu misschien ook niet doen. Nee, dit was zijn fout, en van niemand anders.

John nam nog een slok van zijn glas. De tranen welden op in zijn ogen, maar wenen deed hij niet. Dat deed hij al jaren niet meer. Het was hem zo geleerd vroeger: mannen wenen niet. Zelfs niet als ze moeten. En hij moest. En dus hield hij zijn lippen strak op elkaar, net als zijn tanden, en stonden zijn brandende ogen op ontploffen. Maar hij gaf geen kik.
Het was donker in Schoppernau. Alleen de lampjes aan het zwembad hulden het terras in een schemering. Er hing het soort rust na een zonsondergang waarvoor mensen op vakantie gaan. Maar John kon er niet van genieten. Niet nu in ieder geval. Hij had geen idee hoe laat het was. Hij wist alleen dat hij hier zou blijven wachten tot Elly terug was. Of tot morgenvroeg, wat het eerst kwam. En dan kwam er toch een traan, koortsig heet. Hij veegde ze snel weg. Eén traan, meer gunde hij zichzelf niet.

Waar zat Elly? Wat was ze aan het doen met Eddy? John zou op haar blijven wachten tot ze terug was

“Dus als ik het goed heb…” Eddy aarzelde een beetje om Elly te zeggen wat hij vond.
Na die chaotische scène aan het huisje hadden ze eerst gewoon wat rondgereden. De eerste minuten hadden ze niet veel gezegd. Het voelde niet vervelend. Dat zwijgen tegen elkaar konden ze vroeger ook al zo goed, dat was niet weggegaan. Maar uiteindelijk had Eddy toch gevraagd wat dit te betekenen had, en wat Elly van plan was, waar ze naartoe wilde.
“Weg van hier, eender waar…”, had Elly geantwoord, nog steeds helemaal in de war. “Rij maar tussen de bergen.” Alsof hij daar iets mee kon. Eddy was dan maar terug naar Schoppernau gereden, waar ze uiteindelijk toch weer naartoe zouden moeten. Maar omdat hij aanvoelde dat Elly nog niet klaar was, had hij zijn wagen geparkeerd aan café Waldstube. Daar konden ze rustig praten, en het gaf hem ook de kans om zijn vrouw te bellen om te zeggen dat hij wat later thuis zou zijn vanavond. “Uitgenodigd om mee te blijven barbecueën bij de huurders van zijn huisje”, had hij als smoes verzonnen. “Het waren zulke liebe Menschen, Schatzi, ik kon niet weigeren.”

John voelde een traan en veegde ze snel weg. Mannen wenen niet, zelfs niet als ze moeten

Terwijl het buiten donker werd en de gezellige lichtjes aangingen in de oubollige taverne – overal houten lambrisering en afgeschermde tafeltjes in alkoven – deed Elly eindelijk haar verhaal. Over het plan om samen met de buren vakantie te vieren in Oostenrijk, de rit naar hier en de onthulling van de kleine Kristof. Over haar buurvrouw, die haar vertrouwen zo geschonden had, en over John, die haar zo vernederd had. Dat ze zich schaamde, en ook twijfelde aan alles. Dat ze bang was dat haar hele leven, het gezin waar ze alles voor had opgegeven, een bubbel was geweest die doorprikt was. En dat alle anderen het hadden geweten. Zelfs de kinderen, de kinderen van de buren en alle vrienden op de voetbal. Maar niemand die het de moeite had gevonden om haar iets te zeggen.

Eddy had het allemaal in stilte aangehoord. Hij had af en toe geknikt om aan te geven dat hij haar relaas volgde. Pas toen Elly stilviel en haar ogen achter haar handen verborg, reageerde hij.
“Dus als ik het goed heb, heeft John ein Fehler gemaakt toen hij een nacht dronken was. Een zware fout weliswaar, maar één fout. Meine liebe, kleine Elly toch. Ik vind het zo jammer voor jou… Dat je het zo te weten moest komen, net toen je op reis vertrok om te ontspannen. Maar… ik denk dat je het ook in zijn perspectief moet zien. Het was één misstap, niet meer dan dat, toch? En je zegt zelf dat hij er spijt van heeft. We maken allemaal weleens fouten, niet? Wij toch ook?” Hij zweeg even, twijfelde, maar zei het dan toch. “Weet je nog die ene nacht, wij twee, die laatste keer?”
“Hoe zou ik die nu kunnen vergeten”, antwoordde Elly. Ze keek weemoedig naar Eddy.
“Als ik me niet vergis, had jij toen ook al een relatie met John. Wij waren in ieder geval al een tijdje uit elkaar”, opperde Eddy.
“Dat was helemaal anders!”, wierp Elly tegen.
“In welk opzicht dan? Dat was ook één fout van twee mensen die beter hadden moeten weten. Niet meer dan dat, een fout.” Eddy zweeg.
Elly barstte in snikken uit. “Je begrijpt er niks van, Eddy… Wij waren nog kinderen. Dat was helemaal anders. Dat is ook helemaal niet waarover ik het met jou wilde hebben. Je begrijpt het gewoon niet. Ik twijfel aan alles op dit moment, aan mijn hele leven. Dat is het. Het enige waar ik nog zeker van ben, is dat ik heimwee heb naar wie ik ooit was. Ik was leuk vroeger, toch? Ik was leuk. Nu ben ik zo… saai.”
Elly keek haar oude vlam weer recht in de ogen. “Weet je, ik heb die foto van ons gevonden in het huisje. Ik wist niet dat je die nog altijd had.”

In het cafeetje keek Elly haar oude vlam weer recht in de ogen. “Denk je nog aan mij, Eddy?”

Eddy sloeg zijn ogen neer en zweeg. Die foto, die hij al die jaren bewaard had als herinnering aan zijn eerste, grote liefde.
“Denk je soms nog eens aan mij, Eddy? Want ik heb de laatste tijd veel aan jou gedacht. Dat is eigenlijk wat ik echt wil weten: denk je nog aan mij?”
***
John was niet de enige die nog klaarwakker was rond middernacht. Ook Liliane sliep niet. Ze staarde met een glimlach op de lippen naar het plafond. Rogier lag naast haar in bed. Op een vreemde manier had het haar goed gedaan dat het was uitgekomen, had het hén goed gedaan. Eindelijk gedaan met de leugens, met het verzwijgen. Ze had het zelfs heel aantrekkelijk gevonden toen Rogier agressief was geworden tegenover John. Eindelijk was hij eens niet zo… braaf geweest. Voor één keer was hij een doener geweest in plaats van een denker. Als het erop aankwam, zou hij – letterlijk – vechten voor haar. Dat wist ze nu pas. En dat vond Liliane een opwindende gedachte.

Na het avondeten hadden de twee zich onmiddellijk teruggetrokken op hun kamer. Want Rogier wilde natuurlijk wel weten hoe de vork aan de steel zat.
“Hoe kon je mij dit aandoen, Lili?”
“Het spijt me, Rogier, echt waar. Maar je weet goed genoeg vanwaar dit komt. Ik ben een vrouw, een echte vrouw. Geen figuur uit één van die boeken van jou. Een vrouw met noden die jij al veel te lang genegeerd had…”
“Enfin, nu is het nog mijn fout ook”, probeerde Rogier in te pikken. “Ca y’est! Dat is het toppunt!”
Maar Liliane had geen zin om al te lang het boetekleed aan te trekken. Ze was schuldig, dat zeker. Maar híj ook. “Dat praat niet goed wat ik gedaan heb, dat weet ik. Dus sorry. Maar toch. Ik was niet gelukkig, ik ben zo vaak niet echt gelukkig… Je bent soms zo afwezig in onze relatie. En weet je, ik had gewoon iemand nodig die me vastpakte die avond. Meer was het niet. Ik had een man nodig. Een man van vlees en bloed.”
“John?”
“Eender wie. Jij, als jij er was geweest.”
“Ik ben er toch altijd?”
“Als het is om te filosoferen over Nietzsche en Schopenhauer wel ja… Maar dat wil ik niet, Rogier. Ik wil jou! En ik wil dat jij mij wilt. Dat vooral. Ik wil dat je voor mij vecht. Elke dag opnieuw.”
“Dat heb ik toch gedaan, daarstraks?”. Rogier wreef nog eens over zijn pijnlijke vuist.
“Daarstraks wel, ja.” Haar ogen lichtten op toen ze eraan terugdacht. “Eindelijk, dacht ik toen. Het was lang geleden dat ik die kant van jou nog eens gezien had.”
“Welke kant bedoel je?”
“Dat is sexy, weet je dat? Een man die voor mij vecht.”
“Ik schaam mij er nochtans voor, dat ik daaraan heb toegegeven. Dat ik mezelf niet meer in de hand had. Dat is zo primitief. Je weet dat ik zo niet wil zijn, Lili.” Rogier draaide zich nog een laatste keer van haar weg.
“Och, kom hier, primitieveling”, trok Liliane haar man naar zich toe. “Het was sexy, oké? En nu zwijgen.” En ze kuste hem vol op de mond. Zelfs als Rogier nog had willen tegenstribbelen, was het hem niet meer gelukt. Liliane had haar zinnen op hem gezet.
Het werd hun eerste vrijpartij in maanden. Hun eerste goeie, passionele in jaren zelfs. En dat was net wat Liliane nodig had.
***
Elly had intussen de hand vast van Eddy, die nog steeds tegenover haar aan tafel zat. Ook zij zaten intussen al aan hun tweede fles wijn en ze deelden een stuk Sachertorte, met twee vorkjes.
“Denk je nog aan mij, Eddy? Ik moet het weten. Want ik moet toegeven dat ik de laatste veel aan jou heb gedacht”, gooide Elly nu haar hart op tafel. “Zeker de laatste dagen, sinds ik het weet van… Afgelopen nacht heb ik uren wakker gelegen en de hele tijd gedacht: wat als ik toen anders had gekozen? Hoe was mijn leven dan geweest? Ik weet dat jij me graag zag, en jij moet weten dat ik jou ook graag zag. Nog altijd, denk ik soms.”
“Elly, Elly toch. Natuurlijk weet ik dat. En op een manier zal dat altijd zo blijven”, antwoordde Eddy teder, maar beheerst.
“Op een manier?” Dit was niet het antwoord waarop Elly had gehoopt.
“Natuurlijk heb ik afgezien toen het uit was tussen ons, natuurlijk. Wij waren ook nog zo jong toen. Ik heb diep gezeten, heel diep. Het heeft jaren geduurd voor ik weer op mijn poten terecht ben gekomen. Ik zag u graag, doodgraag, en ik zal u altijd graag zien… op een manier. Die herinneringen allemaal, jij was het beste wat mij ooit was overkomen. Mijn eerste.”
Elly kreeg weer hoop. Ze kneep nog maar eens in Eddy’s hand en leunde voorover om hem te zoenen, for old times’ sake. Dat ze intussen al enkele glazen wijn op had, hielp haar. Eddy liet het met gesloten ogen toe, een seconde of iets langer. Het leek zeker langer.
***
John schonk de fles nog eens uit in zijn glas, maar er kwam niks meer. De tweede fles was ook leeg. Hij deed zijn ogen dicht en zuchtte diep. Waar was hij toch mee bezig? Pas toen merkte hij dat er achter hem op het terras een klein mannetje in zijn pyjama stond. Kristof veegde enkele verse tranen weg met zijn mouw.
“Had… had ik dat niet mogen zeggen, papa? Nee, hè? Van die kus, in de auto? Is mama daarrrom zo boos? Ik wist echt niet dat dat zo errrg was…”
“Maar nee, jongen, natuurlijk niet. Hoe kom je erbij?”
“Gewoon, omdat… Is ze daarrrom weggegaan, papa? Doorrr mij? Doorrr wat ik zei?”
John nam het hoofdje van de kleine Kristof in zijn armen en drukte hem tegen de borst. Hij wreef liefdevol door zijn blonde haren. Dat de kleine zich schuldig voelde, vond John misschien nog het ergst van al. Het maakte niet alleen een slechte man van hem, nu was hij ook nog een slechte vader. Een gefaalde vader. Een vader die zijn zoontje had laten huilen.
“Ik was verkeerd, oké. Jij hebt niets gedaan. Papa is de stommerik geweest. Niemand anders. Mama en papa zien jou doodgraag en er zal nooit iets kunnen gebeuren dat daar iets aan verandert, oké? Knoop je dat goed in je oren? Jij kunt niets zeggen dat daar iets aan verandert. Ik zie je doodgraag, net als mama en net als ons Kathleen…”
“En waarrr is die eigenlijk, papa?”
“Hoe bedoel je?”
“Kathleen.”
“Hoezo, ligt ze niet bij jou op de kamer dan?”
John wachtte het antwoord niet af en stormde het huisje binnen, recht naar de kamer van de kinderen, die inderdaad leeg was.
“Kathleen?!”, riep hij in het ijle. Nog een probleem waarvan hij niet wist wat hij ermee aan moest.
“Misschien zijn die samen weg?”, vroeg Kristof, die hem in zijn pyjama gevolgd was, naïef. “Misschien weet Kathleen wel waarrr mama is.”
“Dat denk ik niet, jongen. Dat denk ik niet. Maar papa lost het wel op. Ga jij nu maar slapen, zou je dat voor mij willen doen, alsjeblieft? En als je dan morgen wakker wordt, is iedereen weer terug. Beloofd. Papa lost het wel op, oké?”
“Beloofd?”
“Beloofd.”
“Oké dan.” Kristof trok opnieuw richting zijn bed, maar keerde snel op zijn passen terug om John nog een knuffel te geven. “Ik jou ook, hoor, papa.” Hij gaf John een kus op de wang en ging dan definitief de kamer binnen.

John wachtte nog even tot Kristof zijn deur weer gesloten had en hij de jongen op zijn matras hoorde ploffen. Dan zocht hij steun met zijn rug plat tegen de muur. Zodra hij die gevonden had, zakte hij door zijn benen. Daar zat hij, ingestort in de gang van hun gezellige vakantiehuisje. Wat hem betreft, had hij zich net zo goed in een betonnen cel kunnen bevinden met een gewicht van duizend kilo om zijn enkels. De hel was het.
Met zijn hoofd tussen zijn knieën en zijn handen erbovenop bleef hij zitten – een uur? Een nacht? Een jaar? Een eeuwigheid? In ieder geval tot ze terug was. Of tot morgenvroeg, wat het eerst kwam.
***
“Hier moet het zijn, de Waldstube. Dat hadden die gasten toch gezegd, hè, Ramses?”
Nadat Kristof en Quinten in slaap waren gevallen, was het voor Kathleen en Ramses een koud kunstje geweest om het huis uit te sluipen. Liliane en Rogier hadden zich immers al uren opgesloten in hun kamer en John had vol zelfbeklag dronken op het terras gezeten. Kathleen had Ramses niet erg meer moeten overtuigen. Voor één keer iets doen wat echt niet mocht, hoe spannend was dat niet? Bovendien was Kathleen zo vastberaden dat Ramses maar beter kon meegaan om haar in de gaten te houden. En om gewoon naar haar te kijken, natuurlijk.

En dus kwamen ze aan op de plek waar ze hadden afgesproken met hun Oostenrijkse vrienden, het enige café in Schoppernau dat tot na middernacht open was. Rames hield de deur galant open voor Kathleen, die lichtjes overmoedig binnenstapte. Op naar een leuke, spannende avond zonder vader of moeder in de buurt, dacht ze. Eindelijk eens vrij. Wist zij veel.
***
Traag en teder trok Elly zich terug van Eddy’s lippen. Ze keek hem strak aan, haar wangen rood en gloeiend. Zijn ogen bleven wat langer gesloten. Ze keek het café rond om te zien of er niemand hen gezien had. Een mengeling van schaamte en opwinding tintelde door haar lijf. Gelukkig kende ze hier niemand, dacht ze. Wist zij veel.

Elly leunde voorover om Eddy te zoenen. Ze kende hier toch niemand. Dácht ze…

Volgende week deel 7: slot

Tekst: Wim Hellemans & Annelies Dyck – Illustratie: Mireille Kouwenberg

Herlees hier de vorige delen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)