Het Libelle Zomerverhaal: slot

Het Libelle Zomerverhaal: slot

Zomer 1988. Twee families trekken samen naar Oostenrijk. Maar een bekentenis tijdens de heenreis zet alles op losse schroeven. Raken ze ooit op hun bestemming, Schoppernau? Houdt de vriendschap stand, daar in de bergen? En wordt het alsnog een leuke vakantie, met z’n allen in één chalet? Dat las je de voorbije weken op onze site. Vandaag: de ontknoping!

Wat voorafging:
Elly zit met jeugdliefde Eddy in het plaatselijke café. Ze wil van hem weten of hij haar nog graag ziet, na al die jaren. Ook dochter Kathleen gaat op café. Zij is samen met Ramses ontsnapt uit het vakantiehuisje om af te spreken met de plaatselijke jeugd.
***
De Waldstube was niet zozeer de hipste tent van het dorp, maar wel de énige plek waar op dit uur überhaupt nog leven te bespeuren was. ‘Pamela’ van Toto knalde door de boxen toen Kathleen en Ramses het café binnen stapten. ‘Pamelaaaaaaa! There is no second chance, for the one who leaves it all behind…’ De Oostenrijkse jongens met wie ze hadden afgesproken, zaten al aan de toog en gebaarden naar hen om erbij te komen. Het was aardig druk. Kathleen keek eens vluchtig rond, maar herkende niemand van vanmiddag. Waar zat de rest van het groepje jongeren eigenlijk? Ramses bestelde een biertje, zij hield het bij een cola, ook al probeerde Andreas haar nog wel te overhalen. Ze durfde niet zeggen dat ze nog nooit alcohol gedronken had.
“Sure you don’t want a beer?”
Kathleen schudde haar hoofd. Ze deed zich dan wel stoer voor, maar voelde zich toch minder op haar gemak dan ze vooraf gedacht had. Ze was maar wat blij dat Ramses bij haar was. “Ik moet even snel naar het toilet, Ramses. Let jij op mijn spullen?”
“Natuurlijk. Alles oké?”
“Jaja.”
Kathleen stond op van de barkruk en stapte richting de deur met een versierd houten plankje met ‘WC’ erboven, helemaal aan de andere kant van het café. Ze probeerde vooral niet te laten merken dat ze hier niet op haar plaats was, tussen al die volwassenen.
***
Eddy opende traag zijn ogen na de kus met Elly. Die voelde voor allebei zo vertrouwd aan, ook al omdat ze er allebei doorheen de jaren meermaals over gefantaseerd hadden. Toch trok hij zijn hand terug.
“Elly, maar ik denk niet dat…”
“Shhttt”, onderbrak Elly hem. “Niks zeggen. Geen gemaar. Niet vanavond. Niet tussen ons.”
“Laat me even, Elly. Wat ik wil zeggen: uiteindelijk was het voor ons allebei de juiste beslissing toen, dat geloof ik echt.”
“”Nee, dat wil ik niet horen nu.” Elly greep haar hoofd weer vast met beide handen.
“Jij had John ontmoet, en hoewel die nu misschien een misstap heeft begaan, was hij wel de juiste man. Jij had iemand nodig die wist wat hij wilde, die wist dat hij jóú wilde. En dat was ik niet. Dat kon ik toen niet zijn. Ik was nog te veel een twijfelaar, was nog niet klaar met het puberale ideaalbeeld van mijn leven. Zoals ik het nu zie, liebe Elly, waren wij nooit bij elkaar gebleven. Nooit. Dat kon gewoon niet.”
“Dat weet je toch niet?”
“Dat weet ik wel. Pas op: ik heb gehuild om jou. Mijn god, wat heb ik gehuild. Nachtenlang, maandenlang, jarenlang. Nu nog word ik soms wakker en besef ik dat ik de hele nacht van jou heb liggen dromen… Nog altijd.”
“Dat betekent toch iets dan?”
“Ach Elly, ik was nog een kind. Ik ben pas na jou volwassen geworden, dat was het. Maar nu… Ik heb hier intussen een leven opgebouwd, weet je. Ik ben getrouwd, heb kinderen. Ik ben gelukkig. Zonder jou. Het heeft een tijdje geduurd, langer dan bij de meesten misschien, maar ik heb mijn weg gevonden.”
“Maar als je zou kunnen kiezen, was je dan niet liever bij mij gebleven? Zou je dan niet liever nu bij mij zijn?”
“De beste manier waarop ik het kan omschrijven, is deze: jij was de vrouw van mijn dromen, maar Katharina is de vrouw van mijn leven.” Het was ook voor Eddy de eerste keer dat hij die gedachte zo helder had uitgesproken. “Dat is het, en dat is het enige wat echt telt, Elly. En ik denk dat, als je heel eerlijk bent met jezelf, je weet dat John de man van jouw leven is, niet ik.”
“Waarom flikt hij mij dan zoiets, als hij toch de man van leven is? Zeg me dat eens.”
“We maken allemaal fouten, Elly. Jij, ik, iedereen. Niemand is perfect. Ik ook niet.”
“Toch wel, Eddy”, zei Elly en ze probeerde hem nog eens te zoenen. Maar nu liet hij het niet meer toe. Een tikje beledigd, met haar armen gekruist, bonkte ze terug achteruit tegen de zitbank.
“Dus je bent gelukkig zo, zeg je?” Het klonk bitterder dan ze het bedoelde.
“Ik denk het wel, ja.”
Eddy pakte haar hand opnieuw vast, om Elly te troosten ditmaal. Door haar tranen heen probeerde ze te glimlachen naar hem.

Eddy pakte Elly’s hand vast, net toen er een meisje voorbij hun tafel kwam. “Wat doe jij hier, mama?”

Noch Elly, noch Eddy had gezien dat er naast hun tafel een veertienjarig meisje was blijven stilstaan. “Mama, wat doe jíj hier?! En vooral: wat doe jij hier met hém?!” Kathleen, die haar moeder hand in hand met een vreemde man zag zitten, kon haar weerzin niet onderdrukken.

Elly schrok op en keek naar haar dochter. Van de ene seconde op de andere was ze plots weer moeder. Moeder van een rebellerende puberdochter, en een boze bovendien.
“Kathleen! Wat doe jij hier? Weet papa wel dat jij hier bent?”
“Weet papa wel dat jíj hier bent?!”, antwoordde Kathleen. “Want als jij zomaar iedereen mag achterlaten, dan ik ook!”
“Zo praat je niet tegen mij, niet tegen je moeder. Je begrijpt er nog niks van”, zei Elly streng. “Vergeet niet: jij bent nog een kind.”
“Nee, onze Kristof is nog een kind! En die heb ík vanavond kunnen troosten en in zijn bed gestoken… Jij niet!” Kathleen was nu uitzinnig van woede en barstte in tranen uit.
Schaakmat, besefte Elly. Haar dochter had gelijk. Maar nog voor ze iets kon zeggen, liep Kathleen in snikken weg. Ze trok Ramses van de toog – “Ik moet hier weg, nu! We moeten weg, ons moeder is hier!” – en samen snelden ze het café uit. Elly zag hen door het raam wegrennen en keek opnieuw naar de tafel. Naar haar verleden, naar Eddy. Hoe is het toch zover kunnen komen? Ze had geen idee hoe het nu verder moest.
***
Het duurde even voor John zich herinnerde waar hij was. Hij was dan toch in slaap gevallen, in de gang van hun vakantiehuisje. Ook al was hij er ten stelligste van overtuigd geweest dat hij vannacht de slaap niet zou kunnen vatten. Maar hij was dus ingedommeld, in de gang dan nog wel.

Meteen nadat hij zijn ogen had geopend, had hij het bed van Kathleen gecontroleerd, en dat van Elly. Allebei waren ze leeg. En plots was hij bang geworden. Bang dat Elly voorgoed weg zou zijn. Dat dit zijn toekomst zou worden: de helft van de tijd, of één weekend op de twee, mogen letten op de kinderen. En dat hij zelfs daarin tekort zou schieten. Elly was goed in die dingen, zij regelde altijd alles. Dat was trouwens één van de zaken die hij in de toekomst zou veranderen, als het toch nog zou goedkomen. Hij wilde een minder afwezige vader zijn. Niet het soort dat, als hij ook eens een avondje op hen moest passen, één van zijn twee kinderen kwijtspeelde.

Waar was Kathleen nu toch, eigenlijk? John voelde voor de zoveelste keer de afgelopen dagen dat hij gefaald had. Als man, als vader, als mens. Hij was bang dat Elly zou thuiskomen vóór hun dochter, en hij wist niet hoe hij ook die misser zou moeten uitleggen. Maar hij wilde ook dat Elly weer hier zou zijn. Hij had er nood aan dat ze tegen hem zou schreeuwen, nood aan al die verwijten die hij zo verdiend had, nood aan haar. Nood aan hen.

Hij zou haar ook vertellen dat hij het beter zou doen voortaan, als hij nog een kans zou krijgen. Hij zou haar beter behandelen, haar vaker verwennen. Met een bloemetje of een weekendje weg of een lekker etentje onder hun twee. Of dat zou hij toch proberen. Al zou hij het wellicht wel weer verknallen, bedacht John meteen. Een vat vol zelfhaat en -medelijden. Waar bleef ze nu toch? En kwam ze überhaupt nog terug? Of lag ze misschien – het zou niet de eerste keer zijn – allang in bed met die Eddy? Maar dat zou ze niet doen, toch?

John sloot zijn ogen weer en drukte zijn rug stevig tegen de intussen koude muur. Hij ademde diep in, blies alles weer uit. Met geluid. En opnieuw. Kwam er nu maar iemand thuis, Kathleen of Elly. Maar liefst Elly. God, wat miste hij zijn vrouw.
***
“Is ons verhaal dan echt verteld, Eddy?”
Elly was opnieuw tegenover haar jeugdliefde gaan zitten, nog lichtjes verbouwereerd nadat Kathleen hen daarnet de mantel had uitgeveegd. Maar ze kon niet vertrekken, nog niet. Ze wilde het Eddy nog een laatste keer vragen. Ze moest zeker zijn.
“Laat me het anders formuleren, liebe Elly. Weet je, als ik terugdenk aan vroeger, aan mijn jeugd, denk ik altijd aan alle leuke dingen. Aan voetballen op de speelplaats. Aan zwemmen in de vaart in onze onderbroek. Aan jagersbal. Aan zomers die eeuwig leken te duren en de zon die nooit stopte met schijnen. Aan suikerwafels en die kleine coureurtjes waarmee we de Tour de France naspeelden…” Eddy keek Elly plots recht in de ogen. “En aan jou, vooral aan jou. Jij, Elly, bent mijn mooiste herinnering van allemaal. Wij waren echt schoon samen. Maar…”
“Zeg het nu maar.”
“Maar voetballen op de speelplaats doe ik ook niet meer, of jagersbal… Die tijd – hoe schoon ook – is voorbij. En dat is oké zo.”

Plots besefte Elly dat ze niet meer tegenover die jongen van vroeger zat, maar tegenover een vreemdeling

Elly zweeg even en keek naar Eddy. Voor het eerst besefte ze dat ze niet meer tegenover die jongen van lang geleden zat, maar tegenover een vreemdeling. Een man die ze nog kende van vroeger, maar die niet meer dezelfde was als toen. En ze besefte ook dat zij allang niet meer dat meisje vanop de foto was. Meer zelfs, dat ze dat meisje niet meer zou willen zijn. Dat was toen. Nu was nu. En dat was oké zo.
“Je weet dat ik je altijd graag zal zien… Op een manier”, zei Eddy nogmaals.
Ze zag dat hij het meende uit de grond van zijn hart. Ze begreep ook wat hij bedoelde. En dat het mooi was zo. “Ik u ook… Op een manier.” Ze keek hem nog één keer aan, wendde haar blik weer af en zei dan plots vastberaden: “Ik moet terug, Eddy.”
***
Behalve enkele krekels die nog niet van ophouden wisten, was er amper een geluid te horen toen Ramses en Kathleen terug naar het vakantiehuisje stapten. Kathleen liep voorop en zette er stevig de pas in, Ramses holde achter haar aan. Pas toen ze bijna aan het huis waren, vond hij eindelijk de moed om haar aan te spreken.
“Zeg, met wie was je mama daar eigenlijk?”
“Ik wil het er niet over hebben, Ramses.”
“En wat waren die dan aan het zeggen?”
“Ik weet het niet.”
“En waren die nu aan het kussen, of heb ik dat verkeerd gezien?”
“Ik wil het er…” Kathleen maakte haar antwoord niet af, draaide zich naar Ramses en kuste hem vol op de mond. Haar handen kronkelden door zijn haren. Ramses weerde niet af.
“Waa… waarom deed je dat?”, vroeg hij toen Kathleen eindelijk losliet.
“Zomaar.” En ze kuste hem nog eens, korter. “Bedankt. Ik wil het er niet over hebben.” En nog een kus. “Zomaar, oké.”
Dit had Ramses niet verwacht. Erop gehoopt misschien wel, maar zeker na het drama met Kathleens moeder in de Waldstube had hij er niet meer op gerekend. “Zullen we maar naar binnen gaan?”, vroeg hij haar, waarna hij zelf het initiatief nam om haar nog eens te kussen.

De twee tieners wandelden de laatste meters naar het huis en glipten via het terras voorzichtig naar binnen. Ze hoopten dat ze ongemerkt weer naar hun kamer konden sluipen, dat niemand iets zou merken van hun nachtelijke uitstap. Elly wist natuurlijk wel wat ze hadden uitgespookt. Maar wat zou zij durven zeggen?
***
“Waar hebben jullie in godsnaam gezeten?!”
John was net zo hard geschrokken als Kathleen en Ramses toen ze elkaar in de gang tegen het lijf liepen. Maar meteen herpakte hij zich en deed zijn best om de strenge vader te spelen, zoals hij zichzelf had voorgenomen. De twee tieners keken elkaar betrapt aan en staarden daarna allebei naar de grond, de lippen op elkaar.
“Kathleen, ik ben jouw vader. Waar heb jij gezeten?”
“Bij ons mama.”
“Niet zeveren, hè. Daar heb ik nu echt geen zin in! Waar. Heb. Jij. Gezeten?”
“Ik zeg het toch: bij ons mama”, antwoordde Kathleen met de arrogantie van een puber die niet alleen gelijk had, maar ook nog eens net ontdekt had dat ze verliefd was. “Je moet zo niet kijken, ja. Ik weet waar ze is. En met wie.”
“Hoe bedoel je: met wie?”
“Zoals ik het zeg. Met wie ze er zat. Je hebt het zo verknald, John, en je beseft het niet eens.” Het was de allereerste keer ooit dat Kathleen haar vader bij zijn voornaam aansprak. Het deed pijn bij allebei.
“Zo spreek je niet tegen je vader. Naar je bed. En jij ook, Ramses. Naar jullie bed… En we hebben het er morgen wel over, verdomme.”
“En als ik dat nu niet wil?”, reageerde Kathleen nog steeds arrogant. “Wie ben jij om te zeggen wat ik moet doen?”
“Ik ben wel je vader, hè”, verhief John zijn stem. Hij riep een stuk luider dan daarnet, maar veel overtuigingskracht had hij niet, en dat besefte hij. Wat zou Elly zeggen op zo’n moment? Hoe zou zij dit aanpakken? Was ze nu maar hier, verzuchtte hij wanhopig.
Net toen klikte de deur open. Het was Elly. Ze had zich door Eddy met de wagen laten afzetten aan het huis, had zonder veel woorden afscheid genomen van haar jeugdliefde en had het gesprek tussen John en Kathleen vanop het terras gevolgd tot het haar tijd leek om in te grijpen. Tot nu.
“Laat haar, John. Laat ze nu maar. Het zijn wij die moeten praten. En jullie twee, naar boven. Nu!”, sprak ze kordaat. De frivole Elly, die een halfuur geleden nog had zitten flirten met haar oude lief, was opgeborgen. Ze was weer moeder, een rol die ze kende als haar binnenzak. De tieners zagen dat er niet te sollen viel met haar en liepen onmiddellijk de trap op. Elly en John bleven met hun tweeën beneden over.
“Waar was je naartoe?”, vroeg hij met lichte paniek in de ogen.
“Ik ben hier nu toch”, ontweek ze niet eens subtiel de vraag.
“Dat is waar”, zei hij zachtjes. “Ik zie je graag, weet je dat?”
“Er gaat veel moeten veranderen, John.”
“Ik weet het, schatje. Ik weet het. Sorry voor wat ik… Ik zie je graag”, hij herhaalde het nog eens.
“Niet alleen jij, hoor. Ik ook. Er gaat veel moeten veranderen.”
“Sorry, sorry, sorry…”
Elly trok haar man naar zich toe, zijn huilende ogen tegen haar borst.
“Je bent een stommerik, weet je dat?”
“Dat weet ik, ja.”
“Maar ik ook.”
“Hoe bedoel je?”
“Gewoon, de voorbije jaren, dat was niet… Ik ben soms zo… Niet wie ik wil zijn. Als ik vanavond één ding ontdekt heb, is het dat ik je graag zie. Echt. Maar ik toon dat veel te weinig. Dat weet ik pas sinds vanavond. Ik zie je graag, stommerik.”
John keek op met hoop in zijn ogen. “Echt?”
Elly knikte. “Natuurlijk.” Waarop ze elkaar kusten, heel voorzichtig. Alsof ze allebei beseften hoe breekbaar dit gevoel was.
“Er gaat veel moeten veranderen. Maar we redden het wel. Als jij dat wilt.”
“Natuurlijk wil ik dat, Elly. Ik wil niks liever.”
“Dan redden we het wel”, zei Elly, waarop ze John mee de slaapkamer in trok. “Kom hier, stommerik.”
***
Hoewel ze het minst had geslapen van iedereen, was Elly toch weer als eerste wakker. Ze was alvast begonnen aan de afwas die was blijven staan. Ze moest er zelfs een beetje om lachen: als zij er niet was, wie zou dit dan doen?

Zij en John hadden bijna de hele nacht gepraat in bed. Over zijn escapade met Liliane, over haar avond met Eddy, over de rollercoaster aan emoties waar ze de voorbije dagen door was gegaan, over de kinderen, over hun relatie… Uiteindelijk waren ze uitgepraat en had John haar innig vastgepakt. Ze had opnieuw die verbondenheid tussen hen gevoeld, het idee dat ze samen de wereld aan konden. En dat was alles waar ze naar verlangd had.

Terwijl ze de borden afdroogde, bedacht Elly dat dit niet de vakantie was geweest die ze in gedachten had, de zomer waarvan ze een half jaar eerder onder haar dekentje voor tv had zitten dromen. Dartelen zoals Maria tussen de edelweiss-bloemen was dan toch haar ding niet. Dat bestond enkel in de film. Bovendien, bedacht ze, zou dat na een tijdje toch ook beginnen vervelen. Alsof Maria het na een paar jaar nooit eens beu werd met haar stille kapitein op die alp.

Er verscheen een glimlach op haar gezicht. Nee, dit was niet de vakantie geworden die ze voor ogen had gehad. Maar het was de vakantie geworden die ze nodig had. Die ze als koppel, als gezin nodig hadden. Die zij als vrouw nodig had. Het meisje dat ze ooit was had ze dan wel niet teruggevonden, ze had er wel afscheid van kunnen nemen. Eindelijk. En in ruil had ze zichzelf gevonden, de vrouw die ze nú was, en dat was eindeloos veel meer waard.
***
Kristof was de eerste die naar beneden kwam, Quinten in zijn zog. “Je bent terrrug, mama!”, liep hij op Elly af.
“Natuurlijk schatje. Waar zou mama anders zijn?”, zei ze terwijl hij haar een dikke knuffel om haar middel gaf. “Zeg, en wat hoor ik?”
Het hoofdje van Kristof glom van trots toen hij zijn mama aankeek.
“Je kunt het! De ‘r’! Wauw!”
“Al van gisterrren, mama! Op de berrrg. Ik kan het, ik kan het, ik kan het!”
“O, dat maakt me nu zo blij, schat. Maar shht, de anderen slapen nog.”
Het was al te laat. Door het kabaal en de geur van de koffie die Elly had gezet, waren ook John, Liliane en Rogier gewekt.
“Wat is dat hier allemaal, zeg?”, vroeg Rogier met een voorzichtige glimlach, toen hij zijn hoofd uit de slaapkamerdeur stak. Die had duidelijk goed geslapen. En hij had vanochtend ook zijn baardje afgeschoren.
“Het staat je goed, Rogier, die nieuwe look.”
“O, dit”, wreef hij verlegen over zijn kin. “Ja, tu sais, het was eens tijd voor iets anders.”
“Daar ben ik het nu eens helemaal mee eens, zie”, lachte Elly naar Liliane. “Het was tijd voor iets anders.”
Niet veel later kwamen ook Ramses en Kathleen uit bed en zat het hele gezelschap aan de ontbijttafel.
“Neem maar een stevig ontbijt, mes amis! Het zal surtout nodig zijn”, sprak Rogier alweer met veel bravoure. “Want vandaag vallen we de Didamskopf aan, het dak van Schoppernau.” Waarop hij door het raam wees naar de berg die het hoogst boven de vallei uittorende. “Zie dus maar dat jullie beentjes ingesmeerd zijn.” Iedereen keek door het raam naar het doel van de dag. Zelfs de tieners zeurden niet.
“Gaat dat gaan voor jou, Elly, met je voeten?”, vroeg Liliane enigszins bezorgd. “Je weet, je mag altijd mijn schoenen hebben, hè…”
Elly keek naar de berg. Het uitzicht vanop de top moet adembenemend zijn, dacht ze in zichzelf. Ze voelde zich bevrijd, klaar, alsof er een zware last van haar schouders was gevallen. Ze had de vraag niet eens gehoord.
“Elly, ça va?”, vroeg ook Rogier. “Elly?”
Waarop Elly ontwaakte uit haar dagdroom. “Natuurlijk, mannen. Natuurlijk. Na vannacht kan ik alles aan. Alles. We komen er wel.”

In de verte hoorden ze koebellen rinkelen en het geruis van het kronkelende riviertje. De zon stond alweer vol op de prachtige, groengrijze bergen met de eeuwig blinkende sneeuw op de top. Een eenzaam wolkje deed niet eens heel erg zijn best. Elly gaf John een knipoog. Het zou een fantastische dag worden.

De zon scheen op de blinkende, eeuwige sneeuw. Elly gaf John een knipoog. Het zou een fantastische dag worden

Tekst: Wim Hellemans & Annelies Dyck – Illustratie: Mireille Kouwenberg

Herlees hier de vorige delen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)